Alle soortenZangvogelsAmerikaanse zangers › Tennesseezanger

Tennesseezanger | Leiothlypis peregrina

Tennessee warbler | Reinita verdillo

Van de Amerikaanse zangers die deze kant op komen is dit de onopvallendste: een klein, groenig vogeltje zonder tekening, dat in een tuin op Fair Isle of op Barra tussen de brandnetels scharrelt en waar u twee keer naar moet kijken voordat u ziet dat het geen fitis is. Hij verschijnt bovendien eerder dan de rest — vrijwel alle Europese gevallen vallen in september — en niet in het zuidwesten maar in het noorden, op de Schotse eilanden.

Tennesseezanger (Leiothlypis peregrina)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit drie aan elkaar geplakte reeksen die steeds sneller en luider worden — een staccato tik tik tik, sjwit sjwit sjwit, tsjew tsjew tsjew tsjew — hard en scherp voor zo'n klein beest, maar hier hoort u hem niet: in september zingt de soort niet meer. De roep is een hoog, scherp tsit, kort en droog, dat tussen het geroep van fitissen en tjiftjaffen makkelijk over het hoofd wordt gezien. In de vlucht een dun ziet. Reken er dus op dat u deze vogel met het oog moet vinden en niet met het oor.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een klein, compact zangertje met een korte staart en een lange vleugelpunt, waardoor de achterkant afgeknot lijkt. De bovendelen zijn helder olijfgroen, de kop een tint grijzer dan de rug, met een smalle vuilwitte wenkbrauwstreep en een donkere streep door het oog. De onderdelen zijn geelwit, het felst op de keel en de borst en bleker naar achteren. Het kenmerk waar het op vastzit zit onder de staart: de onderstaartdekveren zijn wit tot vuilwit en steken af tegen de gele borst — bij het handjevol soorten waarmee hij te verwarren is zijn ze geel. Vleugelstrepen zijn er niet of hooguit één vage lichte lijn over de grote dekveren. De snavel is kort, dun en scherp toegespitst, met een kaarsrechte bovensnavel; de poten zijn grijs tot grijsroze. In het voorjaar is het mannetje grijzer op de kop, met een witte onderkant zonder geel, maar dat kleed komt hier niet voor.

Verwarrings­soorten

De eerste gedachte van elke Europese waarnemer is een fitis, en dat is ook precies de fout die het vaakst wordt gemaakt. Vier dingen helpen. Eén: de staart is korter en de vleugelpunt langer, zodat de vogel gedrongen oogt in plaats van slank. Twee: de snavel is dunner en spitser, meer een naald dan een pincet. Drie: de onderstaartdekveren zijn wit en niet geel, wat bij een vogel die boven u zit meteen te zien is. Vier: de poten zijn grijs, terwijl de fitis lichtbruine tot vleeskleurige poten heeft. Verder is de tennesseezanger feller groen op de rug en heeft hij een grijzere kop dan welke fitis ook. Binnen de Amerikaanse zangers is er één echte tegenstander: de oranjekruinzanger, die groener en doffer is, een langere staart heeft, een vage streping over de borst en — beslissend — gele onderstaartdekveren. De roodoogvireo, die hier in dezelfde weken kan opduiken, is bijna anderhalf keer zo groot, heeft een zware, aan de punt gehaakte snavel en een brede wenkbrauwstreep met een zwarte rand erboven.

Leefgebied

Op de plekken waar hij hier terechtkomt is er weinig te kiezen: de ommuurde moestuin van een boerderij, een groepje verwaaide esdoorns bij een kerkje, een bed lissen of brandnetels in de luwte van een muur, een verwilderde heg. Hij foerageert kalm en tamelijk laag, pikt langs bladstelen en bloemhoofdjes en hangt geregeld ondersteboven aan een uiteinde. In eigen gebied is het een vogel van de open boreale bossen en de struikrijke kapvlakten, en in de winter van bloeiende bomen in Midden-Amerika, waar hij van nectar leeft en met tientallen tegelijk in één bloeiende kroon kan zitten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt in een brede band door het boreale Canada en het uiterste noorden van de Verenigde Staten en overwintert van Zuid-Mexico tot in het noorden van Zuid-Amerika. Binnen het kaartgebied is hij een dwaalgast, en een schaarse: er zijn een tiental gevallen, alle van de Britse eilanden. Het eerste was in september 1975 op Fair Isle, waar dat najaar meteen twee vogels zaten; daarna volgden onder meer Orkney, St Kilda, Yell, Fetlar, Barra en Skokholm. Wat opvalt is de strakke datumverdeling: op één na vielen alle gevallen in september, terwijl de andere Amerikaanse zangers pas in oktober arriveren. Van Nederland is geen aanvaard geval bekend. Ook op de Azoren, net buiten de rand van deze kaart, blijft het bij een enkele vogel.

Waar en wanneer kijken

Dit is een soort voor wie in september op een noordelijk eiland zit en systematisch tuinen afloopt. Bekijk elke fitis-achtige vogel die net niet klopt twee keer, en dwing uzelf om naar de onderstaart te kijken: wit betekent doorlopen naar deze soort, geel betekent iets anders. Let daarnaast op de korte staart, de naaldfijne snavel en de grijze poten. Fotografeer de vogel van onderen — dat is de foto waar een beoordelingscommissie om vraagt en juist die wordt zelden gemaakt. Verwacht geen lange pleisterduur: een deel van deze vogels bleef maar één dag.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een populatie in de tientallen miljoenen. De aantallen schommelen sterk van jaar tot jaar, omdat de soort profiteert van uitbraken van de sparrenknopbladroller in het boreale bos: in een uitbraakjaar broeden er veel meer paren en liggen de legsels groter, en na afloop zakt de stand weer terug. Op de langere termijn is een geleidelijke afname gemeten. Voor het gebied van deze gids is het een dwaalgast en niets anders. De herkomstvraag is bij deze soort eenvoudig: Amerikaanse zangers worden niet als kooivogel verhandeld, en de vaste septemberdata en de noordelijke ligging van de gevallen passen bij vogels die op eigen kracht met een westelijke stroming zijn meegekomen.

Wetenschappelijke naam

Leiothlypis peregrina (Wilson, 1811)

Wilson beschreef de soort in 1811 als Sylvia peregrina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothlypis werd in 2008 ingevoerd door Sangster. Leiothlypis is Grieks, van leios 'effen, glad' en thlypis, bij Aristoteles de naam van een onbekend klein vogeltje. peregrina komt van het Latijnse peregrinus 'rondtrekkend, van elders'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Cumberland in Tennessee.