Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Kanarie
Kanarie | Serinus canaria
Atlantic canary | Canario
Iedereen kent de kanarie en bijna niemand kent de kanarie. De vogel uit de kooi is helder citroengeel, want zo is hij eeuwenlang uitgezocht en doorgefokt; de wilde vogel is groengrijs met een gele borst en een fijne donkere streping, en die zie je alleen op de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden. Daar is het geen zeldzaamheid maar een gewone standvogel van open hellingen met struiken, terrassen en boomgaarden, van de kust tot hoog in de bergen. De kooikanarie gaat op deze vogel terug: sinds de vijftiende eeuw wordt hij in gevangenschap gehouden en gefokt.
Geluid
De zang is een lange, zilveren, rollende stroom van heldere tonen en trillers, herkenbaar als kanariezang maar losser, gevarieerder en minder schril dan de doorgefokte kooivogel, en met lange rustige passages. Hij wordt vaak minutenlang achtereen gebracht vanaf een draad, een boomtop of een televisieantenne. De roep is een zacht, rollend en klingelend tsjirlie of tsoe-iet, veel weker dan het droge geratel van de europese kanarie.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een slanke, langgestaarte vink, groter dan de europese kanarie. Het mannetje heeft een geel voorhoofd, geel gezicht en gele borst, maar de kruin en de nek zijn grijsgroen en de rug is grijsgroen met duidelijke donkere strepen; buik en onderstaart zijn wit, de flanken grijs met fijne streepjes. De stuit is dof groengeel. Het vrouwtje is grijzer en veel minder geel, met zwaardere streping; jonge vogels zijn bruinig en over de hele onderzijde gestreept, zonder geel. Kortom: een vogel met evenveel grijs en groen als geel — precies het tegendeel van het kooibeeld.
Verwarringssoorten
De europese kanarie is de soort waarmee je moet vergelijken, en het onderscheid ligt vast in vier punten: de kanarie is duidelijk groter, heeft een merkbaar langere staart, is veel minder dicht gestreept op borst en flanken, en heeft een dof groengele stuit in plaats van de felle citroengele stuit die bij de europese kanarie bij het wegvliegen oplicht. Daar komt de vorm bij: de europese kanarie is een bolletje met een stomp snaveltje, de kanarie is langgerekt met een iets langere snavel. Verder zitten er rond dorpen en havens op de eilanden geregeld ontsnapte kooivogels: helder geel, wit of oranje, vaak met een ring om de poot en vaak wat lomp in het gedrag — die horen niet in het notitieboekje.
Leefgebied
Halfopen terrein met struiken en zaad: hellingen met struikgewas, oude landbouwterrassen, boomgaarden en bananenpercelen, wijngaarden, dorpsranden, tuinen en parken, de randen van dennenbos en laurierbos, en op de Canarische Eilanden ook de tabaibalvelden bij de kust. Broedt in een struik of een lage boom en foerageert op de grond en aan zaaddragende kruiden langs paden en wegbermen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Alleen op drie archipels in de Atlantische Oceaan: de Azoren, waar hij op alle eilanden gewoon is, Madeira met Porto Santo, en de Canarische Eilanden, waar hij op de westelijke eilanden talrijk is, plaatselijker op Gran Canaria en schaars op Lanzarote en Fuerteventura. Het is een standvogel; hoogstens zakken bergvogels 's winters wat lager. Op het Europese vasteland komt hij niet in het wild voor: elke kanarie op het continent is een ontsnapte kooivogel.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Op Madeira, La Palma of Tenerife hoef je er nauwelijks moeite voor te doen: rijd een levada-pad of een terrassenhelling op, stap uit en luister naar de lange rollende zang, meestal van het hoogste puntje in de buurt. De beste maanden zijn februari tot juni. Kijk bij elke vogel eerst naar rug en flanken: grijsgroen en gestreept is de wilde vogel, egaal geel is er een uit een kooi.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en op alle drie de archipels talrijk. Eeuwenlange vangst voor de vogelhandel heeft de wilde bevolking niet gebroken; de soort is nu beschermd. Het verlaten van de oude landbouwterrassen werkt zowel in zijn voordeel als in zijn nadeel: struikopslag levert nestgelegenheid op, maar het verdwijnen van kleinschalige akkertjes en boomgaarden kost hem zaadrijk foerageerterrein.
Wetenschappelijke naam
Serinus canaria (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla canaria; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Serinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Serinus komt van het Franse serin 'kanarie', mogelijk een verbastering van het Latijnse citrinus 'citroengeel'. canaria verwijst naar de Canarische Eilanden, waarvan de naam teruggaat op het Latijnse canariae insulae 'hondeneilanden', naar de grote honden die de bewoners hielden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Canarische Eilanden.



