Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Europese kanarie
Europese kanarie | Serinus serinus
European serin | Verdecillo
De europese kanarie is de kleinste vink van Europa en in het zuiden een van de gewoonste stadsvogels. Hij zingt vanaf een tv-antenne, een telefoondraad of de top van een cipres, en zijn snelle, glazige geratel hoort bij een Spaans of Italiaans dorpsplein zoals het geluid van scooters. De kanarie uit de kooi is trouwens een andere soort, die op de Canarische Eilanden, Madeira en de Azoren thuishoort.
Geluid
De zang is het geluid waaraan je de soort het snelst herkent: een aanhoudend, snel en hoog geratel van glasachtige, sissende tonen zonder duidelijke frasering, met de klank van een klein, hakkelend uurwerk. Hij wordt gebracht vanaf een hoge, vrije zangpost of tijdens een trage zangvlucht met wijd uitgespreide vleugels en trage slagen. De vluchtroep is een licht, rollend en klingelend trirrilit, droger en wat bozer dan dat van de putter. Te horen van februari tot in augustus, en in het zuiden ook nog in de nazomer.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Heel klein, gedrongen en kortstaartig, met een groot hoofd en een opvallend kort, stomp snaveltje. Het mannetje heeft een fel geel voorhoofd, gele kop en gele borst, een gele stuit die bij het wegvliegen oplicht, en donkere streping over de flanken en de bruingroene rug. Het vrouwtje is grijzer en veel doffer geel, met zwaardere streping; jonge vogels zijn bruinig en dicht gestreept, zonder geel. De gele stuit is in alle kleden het beste kenmerk.
Verwarringssoorten
De sijs zorgt voor de meeste verwarring, maar die is groter, langer van staart, groener, heeft een duidelijke gele vleugelstreep en een spits snaveltje, en bij het mannetje een zwarte kruin. De groenling is veel forser en heeft gele randen in vleugel en staart. In de bergen van Zuid-Europa moet je verder op de citroensijs letten: die is groter, effen van rug en ongestreept op de flanken. Het kleine formaat, het stompe snaveltje en de dichte streping van de europese kanarie zijn samen doorslaggevend.
Leefgebied
Halfopen terrein met bomen en zaad: dorps- en stadsranden, parken, begraafplaatsen, kloostertuinen, boomgaarden, olijfgaarden, wijngaarden, kwekerijen en akkerranden. Broedt hoog in een cipres, een sierconifeer of een dichte struik en foerageert op de grond en aan zaaddragende kruiden, vaak op paden en tussen straatstenen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt door heel Zuid- en Midden-Europa, van Iberië, Zuid-Frankrijk en Italië tot de Balkan en Turkije, en verder in Noordwest-Afrika en op de Middellandse Zee-eilanden. Vanaf de negentiende eeuw breidde het broedgebied zich noordwaarts uit tot in Duitsland, Nederland en België, waar de soort nu een zeer schaarse en wisselvallige broedvogel is. Noordelijke vogels trekken in september weg naar het Middellandse Zeegebied; in het zuiden blijft hij jaarrond.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in april door een Zuid-Europees dorp en kijk omhoog naar de draden en antennes: het geratel komt van boven, en de zanger zit vrijwel altijd op het hoogste punt in de buurt. Ten noorden van de Alpen is de kans het grootst op een begraafplaats of in een villawijk met veel coniferen, vroeg in de ochtend in mei. Let bij overvliegende groepjes op de gele stuit, want die zie je nog als de vogel al te ver is voor de streping.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in Europa is een duidelijke afname vastgesteld, het sterkst aan de noordrand van het areaal, juist waar de soort zich in de twintigste eeuw had gevestigd. In Nederland, België en Duitsland is hij daardoor weer bijna verdwenen. In het Middellandse Zeegebied blijft hij talrijk; illegale vangst voor de kooivogelhandel speelt daar plaatselijk een rol.
Wetenschappelijke naam
Serinus serinus (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Fringilla serinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Serinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Serinus komt van het Franse serin 'kanarie', mogelijk een verbastering van het Latijnse citrinus 'citroengeel'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland.




