Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Syrische kanarie
Syrische kanarie | Serinus syriacus
Syrian serin | Serín sirio
De syrische kanarie is een bergvogel met een klein en versnipperd areaal: de jeneverbes- en cederhellingen van de Libanon, de Anti-Libanon, de Hermon en het bergland van Israël en Jordanië. In de winter verlaat hij de bergen en duikt hij op in de acaciawadi's van de Arava. Het is de enige soort in dit rijtje die op de Rode Lijst staat.
Geluid
De zang is een zacht, hoog en zoet gekwetter met veel rollende trillertjes, een stuk musicaler en minder schril dan het glazige geratel van de europese kanarie, gebracht vanaf een jeneverbes of tijdens een trage zangvlucht met wijde vleugelslag. De roep is een licht, rollend trierrilit, weker en zachter dan dat van de europese kanarie, en in de winter het beste middel om groepjes in de acacia's op te merken.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een kleine, bleke vink met een lange staart voor zijn formaat en een uitgewassen, zilverig voorkomen. Kop en onderdelen zijn grijswit met een geel voorhoofd, een gele oogring en een gele waas over gezicht en borst; de rug is grijs met vage donkere strepen, de stuit groengeel. In vleugel en staart lopen gele randen, die bij een fladderende vogel opvallen. Het vrouwtje is nog bleker en bruiner en heeft minder geel; jonge vogels zijn zandbruin en fijn gestreept. De algemene indruk is die van een kanarie waar de kleur uit gewassen is.
Verwarringssoorten
De europese kanarie overwintert in hetzelfde gebied en is de enige echte verwarringssoort. Die is kleiner en boller, veel dichter en zwaarder gestreept over borst en flanken, heeft een felle citroengele stuit en een kort stomp snaveltje. De syrische kanarie oogt lang, slank en bleek, is nauwelijks gestreept en heeft in het gezicht meer een gelige waas dan een fel geel masker. Ook het geluid scheidt ze: zacht en zoet tegenover droog geratel.
Leefgebied
In de zomer open bergbos van jeneverbes, ceder en den op rotsige hellingen tussen ongeveer 900 en 1900 meter, met rotspartijen, struweel en kleine akkertjes en boomgaarden bij bergdorpen ertussen. In de winter juist het tegenovergestelde: acaciawadi's, tamariskenstroken en zaadrijke ruigten in de laagste en warmste woestijnslenken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Een klein areaal in de Levant: de bergen van Libanon en de Anti-Libanon vormen de kern, met verder Zuid-Syrië, de Hermon, het bergland van Noord-Israël en de bergen van Jordanië rond Dana en Shobak. De vogels trekken in oktober naar de Arava, de Jordaanvallei, de Sinaï en Egypte en keren in maart en april terug. Buiten dit gebied wordt de soort niet aangetroffen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In mei en juni op de hellingen van de Hermon of in het Libanese bergland: zoek open jeneverbesbos en luister naar de zachte, hoge zang; in de middagzon zitten de vogels bij drinkplaatsen. Makkelijker is de winter, wanneer groepjes bij de waterpunten van de Arava komen drinken — Yotvata en de vijvers bij Eilat zijn de klassieke plekken. Let op lengte en bleekheid, niet op geel.
Staat van instandhouding
Gevoelig (IUCN: Vulnerable). Het areaal is klein en versnipperd en de aantallen lopen terug. Het oude jeneverbes- en cederbos wordt gekapt en zwaar begraasd, zodat verjonging uitblijft, en in de winterkwartieren speelt vangst voor de kooivogelhandel een rol. Behoud van het open bergbos in Libanon is voor deze soort de kern van de zaak.
Wetenschappelijke naam
Serinus syriacus Bonaparte, 1850
Bonaparte beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Serinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Serinus komt van het Franse serin 'kanarie', mogelijk een verbastering van het Latijnse citrinus 'citroengeel'. syriacus is Latijn voor 'Syrisch', naar de Levant, waar de soort broedt.



