Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Sijs

Sijs | Spinus spinus

Eurasian siskin | Lúgano

De sijs is het kleine, geelgroene vinkje van de elzen: een acrobaat die ondersteboven aan de proppen hangt en in troepjes van de ene rij bomen naar de volgende trekt. Zijn aantallen wisselen sterk met de zaadoogst van fijnspar en els.

Sijs (Spinus spinus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is het meest gehoorde geluid: een helder, klaaglijk en licht stijgend tsjilie of een dalend tsjeu, dat een overtrekkend troepje al van ver verraadt. De zang is een lang aangehouden, snel gebabbel van heldere en schorre tonen, afgesloten met een langgerekt, nasaal dzjrrèèh; te horen van maart tot juni, vaak in een trage zangvlucht.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein, kortstaartig en fijngebouwd, met een dun, spits, hoornkleurig snaveltje. Het mannetje is geelgroen met een zwarte kruin en een zwarte kinvlek, een gele borst en een gele vleugelstreep dwars over de zwarte vleugel. Het vrouwtje is grijsgroener, zonder zwarte pet, en zwaarder gestreept op flanken en mantel. Beide hebben een diep gevorkte staart met gele zijkanten.

Verwarrings­soorten

De groenling is de vergissing die het vaakst wordt gemaakt, maar die is veel groter — 14,5 tot 16 tegen 11 tot 12,5 centimeter — en toont alleen een gele rand langs de gevouwen vleugel, nooit een streep dwars erover. Jonge putters zijn eveneens grijsbruin en gestreept, maar hun vleugelband is breed, ononderbroken en goudgeel, en ze hebben witte staartvlekken. De groenling draagt bovendien een zware roze snavel, de sijs een dun priempje.

Leefgebied

Broedt in oud naaldbos, vooral fijnsparbos, en verder in lariks en gemengd bos. Buiten de broedtijd in elzen en berken langs beken, vaarten en vennen, in parken en in tuinen met nigerzaad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de naaldbossen van Noord- en Midden-Europa en van de gebergten in het zuiden. In Nederland en België een schaarse broedvogel maar van oktober tot april een gewone wintergast, in sterk wisselende aantallen: in een goed sparrenjaar blijven de vogels in het noorden, in een slecht jaar stromen ze het laagland in.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga van november tot maart naar een elzenrij langs een beek of vaart en kijk omhoog naar de proppen: sijzen hangen ondersteboven en laten schilfers naar beneden dwarrelen, wat op stil water klinkt als vallende sneeuw. Ze zijn opvallend weinig schuw, dus blijf gewoon staan en laat ze boven je hoofd doorwerken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een grote en over het geheel stabiele bevolking. De aantallen schommelen van jaar tot jaar met de zaadoogst, wat trends lastig leesbaar maakt. Wie in de tuin nigerzaad aanbiedt, moet dezelfde waarschuwing ter harte nemen als bij de groenling: houd de voederplaats schoon.

Wetenschappelijke naam

Spinus spinus (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla spinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Spinus gaat terug op het Griekse spinos, bij klassieke schrijvers de naam van een kleine vink, waarschijnlijk de sijs. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.