Alle soortenZangvogelsIJsgorzen en sneeuwgorzen › Sneeuwgors

Sneeuwgors | Plectrophenax nivalis

Snow bunting | Escribano nival

Op een winterstrand dwarrelt ineens een groepje vogels op dat bij elke vleugelslag grote witte vlakken laat zien en van een afstand meer op opwaaiende sneeuw lijkt dan op vogels. De sneeuwgors broedt verder naar het noorden dan welke andere zangvogel ook, op keienvelden en puinhellingen van IJsland tot de Russische toendra, en zakt in oktober af naar onze kust.

Sneeuwgors (Plectrophenax nivalis)
Foto: Stephan Sprinz — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep helpt het meest: een klaterend, rollend tirrirrirrit dat over een leeg strand ver draagt, afgewisseld met een helder, wat weemoedig tjuu. In een opvliegende groep lopen die twee door elkaar en verraden ze de vogels voordat u ze ziet. De zang is een korte, luide, opgewekte strofe die vanaf een steenblok wordt gebracht en soms in een zangvlucht; die hoort bij het broedgebied en klinkt hier vrijwel nooit.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Fors en gedrongen voor een gors, met een korte hals en lange, spitse vleugels. Elk kleed is op dezelfde tekening gebouwd: een groot wit veld in de vleugel, witte buitenste staartpennen en een witte buik. Het mannetje in zomerkleed is zuiver wit met een zwarte rug, zwarte vleugelpunten en een zwarte snavel, maar die vogel ziet u hier zelden. In de winter zijn kruin, oorstreek en flanken warm okerbruin overwassen, is de rug zwartbruin gestreept en is de snavel geeloranje met een donkere punt. Vrouwtjes en eerstejaars vogels hebben duidelijk minder wit in de vleugel, soms niet meer dan een smalle streep, en een doffere kop. De achterteen draagt een lange, vrijwel rechte nagel.

Verwarrings­soorten

IJsgors is op stoppel en kwelder de enige echte verwarring, en het verschil zit in de vleugel: sneeuwgors toont één groot aaneengesloten wit veld, ijsgors twee smalle witte strepen rond een roestbruin dekveerpaneel. Sneeuwgors is bovendien witter op de buik en gaat luchtig en golvend op, terwijl de ijsgors laag en recht wegschiet. Strandleeuwerik loopt vaak in dezelfde groepen, maar heeft een geel-met-zwarte koptekening en geen wit in de vleugel. Een bleke of gedeeltelijk witte huismus levert op afstand weleens vals alarm; kijk dan naar de snavelkleur en naar de plaats van het wit, die bij de sneeuwgors altijd dezelfde is.

Leefgebied

In de winter kaal, open terrein vlak bij zee: de vloedlijn en de zeereep, zandplaten en slikranden, zeedijken en havenhoofden, kwelders en stoppelvelden achter de dijk. Steeds gaat het om lage, open grond met zaad van zeeraket, loogkruid en akkeronkruid en zo min mogelijk dekking. In het broedgebied zijn het keienvelden, puinhellingen, rotsige toppen en kliffen, met het nest diep in een spleet tussen de stenen, waar de jongen met insecten en spinnen worden grootgebracht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt rond de hele noordpool. Binnen het kaartgebied gaat het om IJsland, de bergen van Noorwegen, Zweden en Finland, de Russische toendra en een klein aantal paren in de Schotse Cairngorms. Overwintert langs de kusten van de Noordzee en de Oostzee en verder oostwaarts op de steppen. In Nederland is hij van oktober tot maart een vaste maar nooit talrijke wintergast van de Waddeneilanden, de Afsluitdijk en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse kust. In Spanje is hij een zeldzaamheid, met de meeste waarnemingen aan de Cantabrische kust en in de hoge Pyreneeën.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

November tot januari, het liefst met opkomend water en stevige wind: loop een zeedijk of een strandhoofd af en kijk naar de vloedlijn, waar de vogels tussen het aanspoelsel scharrelen en pas op een paar meter opvliegen. Ze zijn weinig schuw en gaan meestal een eind verderop weer zitten, zodat u een groep rustig kunt uitkijken. Let in elke groep op een vogel met twee smalle vleugelstrepen in plaats van een wit veld: dan zit er een ijsgors tussen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en over het noordpoolgebied nog altijd talrijk. Aan de zuidrand van het broedgebied gaat het minder goed: de Schotse populatie is klein en kwetsbaar, en zowel daar als in Fennoscandië wordt de opwarming van de broedgebieden als grootste zorg genoemd. Het aantal vogels dat langs de Noordzeekust overwintert is in de laatste decennia duidelijk teruggelopen.

Wetenschappelijke naam

Plectrophenax nivalis (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Emberiza nivalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Plectrophenax werd in 1882 ingevoerd door Stejneger. Plectrophenax is Grieks, van plēktron 'spoor', naar de lange achterklauw, en phenax 'bedrieger'. nivalis is Latijn voor 'van de sneeuw', van nix, nivis 'sneeuw', naar het witte verenkleed en het broedgebied. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lapland.