Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Palestijnse bosuil
Palestijnse bosuil | Strix hadorami
Desert owl | Cárabo árabe
Een bosuil die geen boom nodig heeft. De palestijnse bosuil woont in de kale rotskloven van de Judeawoestijn, de Negev en Wadi Rum, waar hij overdag in een spleet zit en 's avonds van de wand af roept met het ritme van een tortelduif. Hij wordt sinds 2015 als aparte soort behandeld; daarvoor gingen hij en een uil uit de bergen van Oman samen door voor één soort.
Van deze soort bestaat geen vrij gelicentieerde foto van een levende wilde vogel.
Geluid
Een zachte, holle roep die begint met één lang aangehouden hoeoe en daarna overgaat in drie of vier kortere, snel achtereen dalende stoten: hoeoe … hoe-hoe-hoe-hoe. Het ritme doet aan een tortelduif denken en de hele reeks duurt twee tot drie seconden; hij wordt om de vijf à tien seconden herhaald. Het vrouwtje roept lager en doffer, met een minder zuivere toon. Tussen de rotswanden van een nauwe wadi weerkaatst het geluid, zodat het van twee kanten tegelijk lijkt te komen en de vogel lastig te plaatsen is. Het meest te horen van december tot in maart, in het uur na het invallen van de duisternis en opnieuw vlak voor het licht wordt; het broeden valt in Israël van maart tot augustus.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een compacte, rondkoppige uil zonder oorpluimen van dertig tot drieëndertig centimeter — een flink stuk kleiner en slanker dan de bosuil, ongeveer op het formaat van een kerkuil maar veel steviger van kop. Het gewicht loopt van honderdveertig tot tweehonderdtwintig gram, en die brede marge is vooral het verschil tussen de seksen: het vrouwtje is de grootste en zwaarste van het paar, wat bij een roepend duo op dezelfde wand goed te zien is. Hij is verbluffend bleek: zandcrème van boven met kleine grijsbruine vlekjes, van onderen bijna wit met alleen op de borst een sprenkeling fijne donkere streepjes, zodat de buik op afstand egaal wit oogt. Over de nek loopt een lichte, geelbruine halsband. De gezichtssluier is roomwit en vrijwel ongetekend, met een dun donker randje, en daarin staan grote oranjegele ogen. De snavel is bleek, de poten zijn tot op de tenen bevederd. In vlucht kort en breed van vleugel, laag langs de wand en volstrekt geruisloos; tegen donker gesteente lijkt hij bijna te lichten.
Verwarringssoorten
Van de bosuil is hij op elk kenmerk te scheiden, en de twee zitten in Israël verrassend dicht bij elkaar. De bosuil is fors, donker grijsbruin of roodbruin, zwaar overlangs gestreept tot op de buik, en heeft volledig zwarte ogen in een donker gezicht; de palestijnse bosuil is een derde kleiner, zandkleurig tot wit, nagenoeg ongestreept op de buik en heeft grote oranjegele ogen in een roomwitte sluier. Doorslaggevend is het landschap: de bosuil houdt in de Levant de beboste mediterrane heuvels van Galilea, de Karmel en de westhelling van het Judeaanse bergland, terwijl de palestijnse bosuil enkele kilometers oostwaarts begint, precies waar de bomen ophouden en het kale gesteente doorloopt tot de Dode Zee. Wie in een boomloze wadi een bosuil meent te zien, ziet deze soort. De kerkuil, ook wit van onderen, heeft een hartvormig gezicht, zwarte ogen, lange kale poten en een golvende, lichte vlucht.
Leefgebied
Kale rotswoestijn met reliëf: diepe wadi's en canyons, steile wanden, richels, spleten en ondiepe holten in het gesteente, puinhellingen en verweerde rotskoppen. Hij broedt in een spleet of een nis in de wand en jaagt vanaf een uitkijkpost op de bodem van de kloof, op woestijnmuizen, renmuizen, spitsmuizen, gekko's, schorpioenen en grote insecten. Waar in zo'n kloof een bron ligt met acacia's of een paar dadelpalmen, staat de dichtheid het hoogst; die paar bomen zijn geen woonplaats maar een jachtgebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Israël, Jordanië, de Sinaï en verder zuidwaarts langs beide zijden van de Rode Zee tot in Arabië. Binnen het kaartgebied is dit een soort van de Levant en niets anders: de kloven van de Judeawoestijn en de wanden boven de Dode Zee, de Negev, de Aravavallei, en aan Jordaanse zijde Wadi Rum, Dana en de omgeving van Petra. Hij komt niet in Europa voor en is er nooit als dwaalgast vastgesteld. Standvogel, met paren die dezelfde kloof jaren achtereen bezet houden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in januari of februari bij windstil weer aan de monding van een wadi staan, het liefst waar een bron of een paar acacia's staan, en wacht tot een halfuur na zonsondergang. De roep komt bijna altijd van hoog op de wand. Loop niet de kloof in maar blijf onderaan en scan de richels tegen de laatste lichte lucht: de vogel is zo bleek dat hij tegen donker gesteente opvalt. Ein Gedi en Wadi Rum zijn de klassieke plekken. Speel geen geluid af — op de paar bereikbare kloven zit de soort in lage dichtheid en reageert hij daar sterk op.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; het areaal is groot en de aantallen zijn stabiel, maar de dichtheid is overal laag en het geschikte terrein bestaat uit smalle stroken kloof. Daardoor telt elke verstoring zwaar. De bedreigingen zijn goed aan te wijzen: klimmers, canyoning en nachtelijke fotografie op de broedwanden, groeiende toeristendruk in juist die wadi's die de beste dichtheden hebben, rattengif rond woestijnnederzettingen en aanrijdingen op woestijnwegen, waar de vogel laag langs de bermen jaagt. Verlichting van bezoekerspaden in de kloven neemt bovendien het donker weg dat hij nodig heeft.
Wetenschappelijke naam
Strix hadorami Kirwan et al., 2015
Kirwan et al. beschreef de soort in 2015 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Strix werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Strix is het Griekse woord voor 'uil', bij de klassieke schrijvers de naam van een nachtvogel die met onheil in verband werd gebracht. hadorami eert de Israëlische ornitholoog Hadoram Shirihai.



