Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Ringmus
Ringmus | Passer montanus
Eurasian tree sparrow | Gorrión molinero
De ringmus is de mus van het boerenland: kleiner, netter en schuwer dan de huismus, met een geheel kastanjebruine pet en een scherpe zwarte vlek midden op een witte wang. Mannetje en vrouwtje zien er precies eender uit, en dat alleen al zet hem apart van elke andere mus die hier voorkomt. Wie het verschil met de huismus eenmaal in zijn hoofd heeft, ziet hem overal waar een erf, een heg en een graanakker bij elkaar komen — en merkt tegelijk hoezeer die combinatie uit het landschap is verdwenen.
Geluid
Alles klinkt droger en een halve toon hoger dan bij de huismus. De vluchtroep is het handelsmerk en verraadt elke overvliegende groep: een hard, houterig tek tek of tet-tet-tet, alsof er met een stokje op hout wordt getikt. Daarnaast een helder, opgewekt tswit en een kort, nasaal tsjip. De zang is niet meer dan een aaneenrijging van diezelfde tsjilpjes, in een ongelijkmatig ritme voorgedragen vanaf een dakrand, een knotwilg of de opening van de nestkast; te horen van maart tot in augustus.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Kleiner en compacter dan de huismus, met een ronde kop, een korte staart en een kwieke, rechtopstaande houding. De hele kruin en de nek zijn warm kastanjebruin, zonder een spoor van grijs. Op de witte wang staat een ronde, scherp begrensde zwarte vlek; de zwarte keelvlek is klein en netjes, niet de brede bef van de huismus. Tussen wang en nek loopt een smalle witte halsring die de kop bijna bont maakt. De rug is roodbruin met zwarte lengtestrepen, de vleugel toont twee smalle witte streepjes. De snavel is in het broedseizoen zwart, in de winter hoorngeel met een donkere punt. Jonge vogels zijn doffer, met een grijzige wangvlek en een matte kruin, maar de tekening staat al op de juiste plaatsen. Beide geslachten zijn gelijk gekleurd; er is geen zomer- en winterkleed van betekenis.
Verwarringssoorten
De huismus is de enige echte verwarringssoort, en het verschil zit in de kop. Het huismusmannetje heeft een grijze kruin met een kastanjebruine band erlangs, een grote zwarte bef tot op de borst en een egaal grijswitte wang zónder vlek; het huismusvrouwtje is een vlakke grijsbruine vogel met een bleke wenkbrauwstreep en verder geen koptekening. Bij de ringmus zijn de zwarte wangvlek en de volledig kastanjebruine kruin er altijd, en — dat is het beslissende punt — bij beide geslachten precies gelijk. Ziet u binnen één groep mussen duidelijke mannetjes en vrouwtjes, dan zijn het huismussen; ziet u louter identieke vogels met een vlek op de wang, dan zijn het ringmussen. In wintergroepen zit hij vaak tussen vinken en gorzen: een vrouwtjesvink is slanker, heeft een ongestreepte olijfbruine rug en twee brede witte vleugelstrepen. Ook de heggenmus wordt nog vaak een mus genoemd, maar heeft een dunne, spitse insecteneterssnavel en een leigrijze kop en borst.
Leefgebied
Kleinschalig boerenland en de rommelige rand ervan: erven, oude boomgaarden, knotwilgenrijen, houtwallen en heggen langs graanakkers, dorpsranden, volkstuinen en ruige perceelranden. Het nest is een slordige, overdekte bal van halmen en veren in een boomholte, een knotwilg, een spleet in een schuur, een holle betonpaal of een nestkast, meestal in losse kolonies van een handvol paren bij elkaar. In het najaar en de winter foerageert hij in groepen op stoppelvelden, mestplaatsen en onkruidige akkerranden. Anders dan de huismus mijdt hij in West-Europa de binnenstad; in Oost-Azië is het precies andersom en is hij daar juist de vogel van straten en pleinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Portugal en Ierland tot Japan, en van Midden-Scandinavië tot de Middellandse Zee; in Noord-Afrika en het Nabije Oosten ontbreekt hij vrijwel geheel, zodat de zuidrand van het kaartgebied ook zijn zuidrand is. In Nederland is hij een wijdverbreide maar sterk afgenomen broedvogel van het buitengebied, met naar schatting 25.000 tot 38.000 paren; sinds 1990 is de stand ongeveer gehalveerd, met de zwaarste verliezen in het open kleigebied. Noordelijke en oostelijke vogels zwerven in de winter naar het zuidwesten, zodat er in oktober langs de kust groepjes over trekken. In Spanje broedt hij vooral in het noorden en het midden, in populierenrijen, dorpen en boomgaarden, en is hij in het zuiden schaars en plaatselijk.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in augustus of september naar een pas geoogst graanveld met een houtwal of een dichte heg ernaast. De hele familie zit dan in het struweel en valt om beurten op de stoppels; bij de minste beweging gaat het groepje met dat houterige tek tek weer de heg in, en dat geluid alleen al is genoeg. Een tweede vaste kans is een oude hoogstamboomgaard eind maart, wanneer de mannetjes bij hun holte zitten te tsjilpen. En maak er een gewoonte van om bij elke mus in het buitengebied één seconde naar de wang te kijken: één zwarte vlek, en de zaak is rond.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Oost-Azië nog buitengewoon talrijk, maar in Noordwest-Europa is de soort in enkele decennia dramatisch teruggelopen. In Nederland is de stand sinds 1990 ongeveer gehalveerd en in Groot-Brittannië is het verlies nog veel groter. De oorzaken liggen alle in dezelfde hoek: het verdwijnen van graanstoppels die de winter over blijven liggen, van onkruidzaad en insectenrijke akkerranden, van heggen, houtwallen en hoogstamboomgaarden, en het opruimen of dichtzetten van oude schuren en holle bomen waarin hij nestelde. Waar akkerranden, wintervoedselveldjes en nestkasten samen worden aangeboden, herstelt hij plaatselijk snel.
Wetenschappelijke naam
Passer montanus (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla montana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. montanus is Latijn voor 'van de bergen', van mons 'berg', al is de ringmus geen bergvogel maar een vogel van open cultuurland. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bagnacavallo in Italië.




