Alle soortenZangvogelsMussen › Indische rotsmus

Indische rotsmus | Gymnoris xanthocollis

Yellow-throated sparrow | Gorrión cuelligualdo

De Indische rotsmus is een kleine, gladde mus zonder enige koptekening, die in het kaartgebied alleen aan de uiterste westrand van een groot Aziatisch areaal voorkomt: de Jordaanvallei en Zuidoost-Turkije. Anders dan zijn naam suggereert houdt hij niet van rotsen maar van bomen — acacia's, tamarisken, dadelpalmen en boomrijen langs akkers — en verraadt hij zich door een eentonig, ritmisch tsjilpen uit een boomkruin.

Indische rotsmus (Gymnoris xanthocollis)
Foto: Tisha Mukherjee — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is eentonig en zeer regelmatig: een reeks korte, heldere, wat blikkerige noten — tsjiep … tsjiep … tsjilup — in een vast ritme herhaald, meestal vanaf een kale tak in de top van een acacia of een dadelpalm, uren achtereen in de vroege ochtend. Het klinkt als een huismus die op de maat is gezet. De roep is een droog, kort tsjilp en in de vlucht een zacht rollend geluid. In een landschap waar hij optisch wegvalt, is het ritme van de zang het beste zoekmiddel.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en slank, kleiner dan een huismus, met een korte staart en een fijne, nette kop. De bovendelen zijn effen zandgrijs tot lichtbruin, de onderdelen vuilwit, en nergens een streep: de kop is volstrekt tekeningloos, zonder wenkbrauwstreep, wangvlek of kruinstreep. Het mannetje in broedkleed heeft drie kenmerken die samen doorslaggevend zijn: een zwarte snavel, een klein maar helder citroengeel vlekje midden op de keel, en een kastanjebruine schoudervlek op de kleine dekveren. Bovendien draagt hij een scherpe witte dubbele vleugelstreep die op de vale vleugel sterk oplicht. Het vrouwtje is doffer, houdt de vleeskleurige snavel het hele jaar, mist het kastanjebruin en heeft het gele keelvlekje sterk gereduceerd of helemaal niet. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar hebben beigekleurige in plaats van witte vleugelstrepen.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje wordt bijna standaard voor een vrouwtje huismus gehouden, maar dat is de vergissing die met één blik te herstellen is: het huismusvrouwtje heeft een bleke wenkbrauwstreep en een gestreepte rug, de Indische rotsmus heeft geen enkele streep en een volkomen effen kop en rug. De bleke rotsmus deelt die effen kop maar is duidelijk groter en zwaarder, met een dikke stompe snavel, lange leeuwerikachtige vleugels en vage, wazige lichte vleugelzomen in plaats van twee scherpe witte strepen. De rotsmus is veel groter, gestreept van onder, met een brede lichte kruinstreep en witte staartpuntvlekken. De moabmus, die eveneens in de Jordaanvallei zit, is nog kleiner en heeft bij het mannetje een grijze kop met een gele vlek aan de zijkant van de hals en een zwarte bef.

Leefgebied

Open, droge boomlandschappen: acaciasavanne, tamariskstruweel langs wadi's, dadelpalmplantages, boomrijen en windsingels langs akkers en irrigatiekanalen, tuinen aan dorpsranden en oude parken. Hij foerageert zowel in de kruin, op zoek naar insecten en bloemknoppen, als op de grond eronder op zaad. Het nest gaat in een boomholte: een verlaten spechten- of baardvogelgat, een spleet in een dode stam of een gat in een muur, van april tot in juli.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Turkije en de Levant oostwaarts door Irak en Iran tot Pakistan, India en Bangladesh. Binnen het kaartgebied gaat het om een smalle westrand: de Jordaanvallei in Israël en Jordanië, met kleine aantallen in Zuidoost-Turkije en langs de Eufraat. Daar is hij een zomergast die in april arriveert en in augustus en september wegtrekt naar het zuiden en oosten; de Indische bevolking is grotendeels standvogel. In Koeweit en aan de Golf broedt hij plaatselijk en is hij verder doortrekker. In Europa is hij nooit vastgesteld.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in mei of juni in de vroege ochtend naar een acaciarand of een oude dadelpalmtuin in de Jordaanvallei en zoek op gehoor: het rustige, metronoomachtige tsjilpen komt vrijwel altijd van een kale takpunt hoog in de kroon, waar het mannetje volledig zichtbaar zit. Kijk dan eerst naar de snavel — zwart betekent een mannetje in broedkleed — en zoek daarna de kastanjebruine schoudervlek, die alleen bij goed zijlicht echt oplicht. Het gele keelvlekje is klein en verdwijnt bij de minste schaduw; gebruik het als bevestiging, niet als eerste kenmerk.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en over het grootste deel van zijn Aziatische areaal talrijk. Aan de westrand, in de Jordaanvallei en Zuidoost-Turkije, is hij plaatselijk en gebonden aan oude bomen met holtes; het opruimen van dode stammen, het kappen van tamarisk- en acaciabestanden langs wadi's en de omzetting van extensieve boomgaarden in intensief bewerkte percelen verkleinen zijn nestgelegenheid. Aan de andere kant profiteert hij plaatselijk van beplanting langs irrigatiekanalen.

Wetenschappelijke naam

Gymnoris xanthocollis (Burton, 1838)

Burton beschreef de soort in 1838 als Fringilla xanthocollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gymnoris werd in 1845 ingevoerd door Blyth. Gymnoris is Grieks, van gumnos 'naakt' en rhinos 'neusgaten', naar de onbevederde neusgaten. xanthocollis betekent 'geelhalzig', van Grieks xanthos 'geel' en Latijn collum 'hals', naar de gele vlek op de keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Ganges tussen Calcutta en Varanasi.