Alle soortenZangvogelsMussen › Bleke rotsmus

Bleke rotsmus | Carpospiza brachydactyla

Pale rockfinch | Gorrión pálido

De bleke rotsmus is de kleurloosste vogel van het hele kaartgebied: zandgrijs van kruin tot staart, zonder één streep, vlek of band op de kop. Hij broedt op droge, hete berghellingen van Israël, Jordanië, Syrië en Zuidoost-Turkije, is er in het ene jaar bij honderden en het volgende jaar vrijwel afwezig, en verraadt zich vooral door een zoemend, insectachtig geluid dat nauwelijks op een vogel lijkt.

Bleke rotsmus (Carpospiza brachydactyla)
Foto: Dûrzan cîrano — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is het beste kenmerk en past bij geen enkele andere mus: een lang aangehouden, zoemend en droog dzjieeeee, als een krekel of een gespannen elastiek, vaak eindigend met een korte klik. Het wordt eindeloos herhaald vanaf een steen, een lage struik of een draad, ook midden op de dag in volle hitte. Daarnaast een zacht, wat blikkerig tsjilp in de groep. Wie het geluid eenmaal kent, vindt de soort op gehoor terug in een landschap waarin hij visueel volledig wegvalt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een middelgrote, slanke mus met een zware, stompe kegelsnavel en opvallend lange, spitse vleugels, waardoor hij in de vlucht eerder aan een leeuwerik dan aan een mus doet denken. De hele vogel is zandgrijs tot vaalbeige, van boven iets warmer, van onder vuilwit, en de kop is volstrekt effen: geen kruinstreep, geen wangvlek, geen oogstreep, hooguit een vage lichte wenkbrauw en een klein donker oog dat daardoor groot lijkt. De vleugeldekveren en armpennen hebben brede lichte zomen, die twee bleke, weinig scherpe vleugelstrepen vormen en bij een verse vogel het rugpatroon schubbig maken. De snavel is in de broedtijd blauwgrijs tot donker en verder vleeskleurig. Beide geslachten zijn gelijk; jonge vogels zijn nog bleker en zandiger.

Verwarrings­soorten

Elke vale mus in het Nabije Oosten wordt eerst als vrouwtje huismus afgedaan, maar het huismusvrouwtje heeft altijd een duidelijke bleke wenkbrauwstreep, een donkerder oorveld en een gestreepte rug, terwijl de bleke rotsmus juist elke kopstreping mist en veel effener oogt. De rotsmus, die in hetzelfde land voorkomt, is groter en zwaarder, over de onderzijde fijn gestreept en heeft de brede lichte kruinstreep en de witte staartpuntvlekken die deze soort ontbeert. De Indische rotsmus heeft eveneens een effen kop, maar is kleiner en fijner gebouwd, met een scherpe witte dubbele vleugelstreep in plaats van vage lichte zomen, en het mannetje toont een kastanjebruine schoudervlek en een geel keelvlekje. Wie in het veld twijfelt, kijkt naar de vleugelvorm: de lange, driehoekige vleugel en de leeuwerikachtige vlucht van de bleke rotsmus heeft geen andere mus.

Leefgebied

Droge, open en steenachtige berghellingen met verspreide lage struiken en dwergstruikvegetatie, kalkplateaus, ravijnranden en puinhellingen, tot ongeveer drieduizend meter. Hij nestelt op de grond of laag in een struik en foerageert lopend tussen de stenen op zaad en insecten. Na het broedseizoen verzamelt hij zich in grote groepen op stoppelvelden en bij drinkplaatsen, en juist dan is hij het gemakkelijkst te vinden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartgebied broedt hij in Zuidoost-Turkije, Syrië, Libanon, Jordanië en het noorden en oosten van Israël; oostwaarts loopt het areaal door tot Iran, Turkmenistan en Afghanistan. Hij is een echte trekvogel: van maart tot september is hij op de broedplaatsen, de rest van het jaar overwintert hij in het zuiden van het Arabisch schiereiland en langs de Rode Zee tot in Soedan en Ethiopië. Zijn verspreiding is bovendien uitgesproken wisselvallig: een helling die het ene jaar tientallen zingende vogels draagt, kan het volgende jaar leeg zijn, waarschijnlijk afhankelijk van de winterregens en het daaruit voortkomende aanbod aan zaad en sprinkhanen.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De maanden april en mei zijn het gunstigst, wanneer de vogels zingen en het gras nog niet volledig is verdord. Rijd in Israël of Jordanië naar een kale kalkhelling boven ongeveer achthonderd meter, zet de motor uit en luister: het zoemende dzjieeeee hoort u eerder dan u de vogel ziet, en pas dan valt het zandgrijze silhouet op een steen op. Zoek in juli en augustus bij een drinkplaats of een geoogst tarweveld naar groepen. Reken erop dat een plek waar hij vorig jaar zat er dit jaar leeg bij ligt; dat hoort bij de soort.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). Door zijn sterke schommelingen zijn trends moeilijk vast te stellen, maar in het westelijke deel van het areaal drukken de omzetting van berghellingen in geïrrigeerde landbouw, overbegrazing en de aanleg van wegen en bebouwing op de open, schrale hellingen waarvan hij afhankelijk is. Aan de rand van zijn areaal, in Israël, wordt hij als schaarse en onregelmatige broedvogel beschouwd.

Wetenschappelijke naam

Carpospiza brachydactyla (Bonaparte, 1850)

Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Petronia brachydactyla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Carpospiza werd in 1854 ingevoerd door Müller. Carpospiza is Grieks, van karpos 'vrucht, zaad' en spiza 'vink'. brachydactyla is Grieks, van brakhus 'kort' en daktulos 'teen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Al Qunfudhah in Saoedi-Arabië.