Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Roze spreeuw
Roze spreeuw | Pastor roseus
Rosy starling | Estornino rosado
De roze spreeuw is de sprinkhanenvogel van de steppe: een spreeuw in vorm en gedrag, maar roze met een zwarte kap en een afhangende kuif. Hij broedt in enorme, onvoorspelbare kolonies die het ene jaar duizenden paren tellen en het volgende jaar leeg blijven, en in sprinkhanenjaren stort hij ver naar het westen uit.
Geluid
Spreeuwachtig, maar harder en schrapender. De zang is een gehaast mengsel van piepjes, ratels en droge klikken, met veel minder vloeiende fluittonen dan bij de spreeuw, en wordt met heftig trillende vleugels afgeleverd. In de kolonie staat een aanhoudend, luidruchtig geklets dat van ver hoorbaar is. Roep een nasaal, ietwat kwetterend tsjik-tsjik en in de vlucht een hees tsjerr.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Precies de bouw van een spreeuw: gedrongen, kortstaartig, spits gevleugeld, driftig lopend. De adulte vogel is onmiskenbaar — vuilroze romp en rug, glanzend blauwzwarte kop, vleugels en staart, met een scherpe grens tussen zwart en roze. De snavel is roze met een donkere basis, korter en stomper dan bij de spreeuw; de poten zijn vleeskleurig. Het mannetje draagt in de broedtijd een lange, slap afhangende nekkuif. In het najaar zijn de zwarte delen dof en zijn de roze veren donker geschubd. Juvenielen zijn heel bleek zandkleurig, met een duidelijk lichtere stuit en onderstaart, donkere teugel, en een korte gelige snavel; de vleugelveren hebben brede lichte randen.
Verwarringssoorten
Een adulte roze spreeuw kan met niets worden verward, maar de vogel die in West-Europa opduikt is meestal een juveniel, en die zit tussen de jonge spreeuwen in. De jonge spreeuw is egaal muisgrijsbruin, donkerder en kouder van tint, met een donkere snavel en zonder contrast tussen rug en stuit. De jonge roze spreeuw is opvallend bleker en zandgeel, met een lichte stuit en onderstaartdekveren die bij het wegvliegen oplichten, brede lichte randen op de vleugeldekveren, en een korte, stompe, gelige snavel met een donkere punt. Ook de teugel is donkerder afgezet, waardoor de kop een vriendelijker, meer gemaskerde uitdrukking krijgt. Wie een adulte vogel in een tuin ziet, doet er goed aan naar de poten te kijken: gekooide spreeuwachtigen worden veel gehouden, en een gesloten ring beslist de zaak.
Leefgebied
Droge steppe, zoutsteppe en halfwoestijn, met graanakkers, wijngaarden en moerbeibomen ertussen. Broedt in dichte kolonies in steenhopen, puinhellingen, spleten in rotswanden en zeekliffen, in muurtjes, onder spoorbielzen en steeds vaker in steengroeven. Foerageert lopend op de open steppe en op akkerland, waar hij vooral sprinkhanen en veldkrekels vangt; na de broedtijd schakelt hij over op moerbeien, kersen en druiven. Broedplaats en voedselterrein liggen dicht bij elkaar en horen bij hetzelfde landschap.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in Zuidoost-Europa, Turkije, de Kaukasus en de Kaspische steppen, oostwaarts tot Kazachstan, Xinjiang en West-Mongolië. In Bulgarije werden voor 2013–2020 tussen de nul en zevenduizend broedparen geschat: kolonies aan de Zwarte Zeekust bij Boergas en Kaap Kaliakra, in het Karnobatveld en langs de Toendzja worden vijf of zes jaar achtereen gebruikt en daarna jaren overgeslagen. Overwintert op het Indisch subcontinent en Sri Lanka. In sprinkhanenjaren trekken zwermen ver naar het westen, tot Italië, Frankrijk, Groot-Brittannië en de Lage Landen; in Nederland gaat het dan om enkele tot enkele tientallen vogels per jaar, meestal juvenielen in juli en augustus.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in juli, augustus en september de spreeuwenzwermen op geploegde akkers en in kersenboomgaarden na en zoek de vogel die twee tinten lichter is dan de rest; de lichte stuit valt op zodra de zwerm opvliegt. Wil je de soort in zijn eigen land zien, ga dan half juni naar een steengroeve of een steenhoop op de Bulgaarse of Turkse steppe: een bezette kolonie hoor je eerder dan je hem ziet, en de vogels vliegen de hele dag met snavels vol sprinkhanen af en aan.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (IUCN: Least Concern); het wereldbestand is groot maar schommelt enorm, want kolonies volgen de sprinkhanen en verschuiven van jaar tot jaar. Juist die beweeglijkheid maakt de soort kwetsbaar op de grond: het opruimen van steenhopen, het afwerken van groeven en het bestrijden van sprinkhanenplagen kunnen een kolonie in één seizoen waardeloos maken. In Bulgarije en Turkije worden bekende kolonieplaatsen daarom in het broedseizoen afgeschermd.
Wetenschappelijke naam
Pastor roseus (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Turdus roseus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pastor werd in 1815 ingevoerd door Temminck. Pastor is het Latijnse woord voor 'herder', naar de vogels die op de steppe met het weidende vee meetrekken. roseus is Latijn voor 'rozerood', naar het roze van rug en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lapland en Zwitserland.



