Alle soortenZangvogelsLeeuweriken › Temmincks strandleeuwerik

Temmincks strandleeuwerik | Eremophila bilopha

Temminck's lark | Alondra sahariana

De woestijnversie van de strandleeuwerik, en een van de mooiste vogels van de kale grindvlakte. Alles wat bij onze strandleeuwerik geel is, is hier wit: een wit voorhoofd, een witte wenkbrauw en een witte keel, doorsneden door een zwart masker, met twee kleine zwarte veerhoorntjes en een zwarte borstband. Daarboven een warm kaneelbruine rug die precies bij het grind past.

Temmincks strandleeuwerik (Eremophila bilopha)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort, ijl en licht klingelend: een haastig tsie-tsie-tsjiedle-di van een paar seconden, gebracht vanaf een steen, een bultje of in een korte, dansende zangvlucht van een meter of tien hoog. Boven de kale vlakte draagt hij verrassend ver. De roep is een kort, droog tsiep of tsjieh, meestal van een vogeltje dat een paar tellen opvliegt en meteen weer neerkomt. In de winter zijn de groepjes stiller dan in het voorjaar.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Compacte, kortstaartige leeuwerik met een klein donker snaveltje en zwarte poten. De kop beslist: wit voorhoofd en witte wenkbrauw, een breed zwart masker dat van de snavelbasis door het oog naar beneden over de wang hangt, een zwarte band over de voorkruin die aan weerszijden uitloopt in twee korte, spitse veerhoorntjes, en een zwarte band over de bovenborst. Keel en wang zijn wit — nergens een spoor van geel, in geen enkel kleed en geen enkel seizoen. De bovendelen zijn warm zandkaneel, ongestreept of hooguit vaag gevlekt; de onderdelen wit met een roomkleurige flank. Het vrouwtje draagt hetzelfde patroon maar zachter, met bruin doorschoten zwart en nauwelijks hoorntjes. In vlucht een donkere staart met lichte buitenranden en een effen zandkleurige vleugel.

Verwarrings­soorten

De vergelijking die telt is die met de strandleeuwerik, die in de winter tot in Israël en Jordanië doorloopt, zodat beide op één vlakte kunnen staan. Vier dingen scheiden ze. Ten eerste het gezicht: hier zijn voorhoofd, wenkbrauw en keel wit, bij de strandleeuwerik geel — vaal in de winter, maar altijd geel. Ten tweede de rug: hier warm kaneel tot rossig zand, daar grijzer en doffer bruin, met een roze waas in de nek. Ten derde formaat en vorm: Temmincks strandleeuwerik is kleiner, korter van staart en ronder, en oogt naast een strandleeuwerik een halve maat minder. Ten vierde de plek: deze soort staat op vlak woestijngrind en komt zelden bij zee of op berggrasland, terwijl de strandleeuwerik daar broedt en in de woestijn alleen te gast is. De roep is korter en droger dan het ijle tweelettergrepige toontje van de strandleeuwerik. Verder is er in de woestijn niets met een zwart-wit kopmasker: van veraf kan een woestijnleeuwerik verwarren, maar die is effen en heeft geen enkele tekening op de kop.

Leefgebied

Vlakke, open woestijn met grind of dichtgeslagen zand en een enkele lage struik: reg, de randen van de hamada, de vlakten rond zoutpannen en de brede vlakke bodems tussen de bergen. Hij wil het echt vlak en echt kaal hebben; duinen mijdt hij, en de rotshellingen laat hij aan de woestijnleeuwerik. Het nest is een kuiltje in de open vlakte, aan de noordzijde van een pol of een steen zodat het in de schaduw ligt, met een randje van kiezels en aardkluitjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

De hele Sahara-Arabische gordel: van Zuid-Marokko en de Westelijke Sahara door Algerije, Tunesië, Libië en Egypte naar de Sinaï, Israël, Jordanië, Syrië en Noord-Arabië. Binnen de kaart zit hij in Marokko op de vlakten ten zuiden van de Hoge Atlas — de Tagdilt-vlakte bij Boumalne Dadès is daarvan de bekendste plek — in het zuiden van Tunesië, en in Israël en Jordanië op het grind van de Negev en de oostelijke woestijn. Standvogel, al zwerven groepjes in droge jaren over grote afstand op zoek naar zaad. In Europa komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De Tagdilt-vlakte bij Boumalne Dadès, kort na zonsopgang. Rijd de pistes stapvoets af en zoek beweging: kleine vogeltjes die een paar meter draven, stoppen, en weer draven. Vliegen ze op, dan gaan ze zelden ver. Blijf in de auto zitten, want die werkt als schuilhut en de vogels laten hem tot dichtbij komen. In Israël zijn de vlakten van de centrale Negev, rond Nizzana en Sde Boker, het equivalent. Zoek in de winter naar groepjes van vijf tot twintig, vaak in gezelschap van andere woestijnleeuweriken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het areaal beslaat de hele Sahara en Noord-Arabië, en plaatselijk is de soort talrijk. Waar het misgaat is klein en zeer plaatselijk. De Tagdilt-vlakte, jarenlang de beroemdste vindplaats van Marokko, is aangetast door het storten van huisvuil, oprukkende bebouwing en rijden buiten de pistes, en de aantallen woestijnvogels zijn er merkbaar lager dan twintig jaar geleden. Voor het areaal als geheel is dat een speldenprik, maar voor wie de soort in Marokko wil zien is het de plek die het eerst verandert. Overbegrazing en het uitdijen van geïrrigeerde landbouw langs de woestijnrand doen elders hetzelfde; niemand meet het.

Wetenschappelijke naam

Eremophila bilopha (Temminck, 1823)

Temminck beschreef de soort in 1823 als Alauda bilopha; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eremophila werd in 1828 ingevoerd door Boie. Eremophila is Grieks, van erēmos 'woestijn' en phileō 'houden van': de woestijnminnende. bilopha verbindt het Latijnse bi- 'twee' met het Griekse lophos 'kuif': tweekuivig, naar de twee zwarte veerhoorntjes. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de woestijn bij Aqaba.