Alle soortenZangvogelsSpreeuwen › Zwarte spreeuw

Zwarte spreeuw | Sturnus unicolor

Spotless starling | Estornino negro

De zwarte spreeuw is de spreeuw van Spanje en Portugal: dezelfde vorm, dezelfde brutale loop, maar geheel zwart en met een ruige baard onder de kin. Wie in Iberië op een dorpsplein staat, kijkt naar deze soort en niet naar onze spreeuw.

Zwarte spreeuw (Sturnus unicolor)
Foto: Peterwchen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang lijkt op die van de spreeuw maar is luider, trager en fluitender, met minder geratel. De kenmerkende frase is een lang, dalend tsjiiiuuu, vanaf een dakpan of antenne herhaald met trillende vleugels, afgewisseld met klikken en gorgelen. Hij imiteert kippen, huismussen, torenvalk en deurbellen. In de vlucht en op de slaapplaats een kort, hees tsjerr. Zingt vooral van februari tot juni, en veel mannetjes beginnen in het najaar opnieuw.

Luister: ZangXC431986

Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Gedrongen, kortstaartig en spits gevleugeld, met een lange rechte snavel. Het kleed is dof zwart met een olieachtige glans, paars op kop en borst en groenig op de rug; het metalige tweekleurige glimmen van de spreeuw ontbreekt. In het voorjaar is de snavel geel met een blauwgrijze basis bij het mannetje en een roze basis bij het vrouwtje, en zijn de poten helderroze. De keelveren zijn lang en lancetvormig en vormen een ruige baard die bij het zingen openwaaiert; dat is het beste kenmerk van de soort. Van oktober tot februari staan er heel fijne witte spikkeltjes op buik en onderstaart, terwijl de rug vrijwel ongevlekt blijft en de snavel donker wordt. Juvenielen zijn donker roetbruin met een donkere keel.

Verwarrings­soorten

Alles draait om de gewone spreeuw — zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde paar vanaf de andere kant is beschreven. In mei is er geen enkel probleem, maar van oktober tot maart stromen miljoenen noordelijke spreeuwen het schiereiland binnen en zitten beide soorten in één zwerm op hetzelfde grasveld. Vijf dingen beslissen bijna alles. De rug: bij de spreeuw grote witte druppels over het hele mantelveld, bij de zwarte spreeuw een vrijwel egale rug. De gevouwen vleugel: bij de spreeuw roestbruine veerranden die een warme, geschubde vleugel geven, bij de zwarte spreeuw grijze randen en dus een donkere, egale vleugel. De keel: lang en rafelig bij de zwarte, kort en glad bij de gewone. De snavel: langer en rechter bij de zwarte. En de bouw: de zwarte spreeuw is iets groter, breder gevleugeld en zwaarder in de vlucht. Pas op in juli en augustus, wanneer een sterk versleten adulte spreeuw bijna ongevlekt kan ogen — kijk dan naar vleugel en keel en niet naar de spikkels. Ook de jongen scheiden goed: roetbruin met donkere keel bij de zwarte, muisbruin met lichte keel bij de gewone.

Leefgebied

Dorpen, boerderijen, kerken en klokkentorens, dakpannen en gaten in muren; verder eikendehesa, olijfgaard, moestuin en stoppelveld, en rotswanden, groeven en steile ravijnen. Broedt in holtes: onder dakpannen, in muurgaten, in nestkasten, in holle oude eiken en in rotsspleten, vaak in losse kolonies van enkele paren. Foerageert lopend op de grond, prikkend in gazon, braakland en pas geploegde akker; in de winter in olijfgaarden, boomgaarden en op vuilstorten. Slaapt gezamenlijk in stadsbomen, riet en landbouwschuren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Het hele Iberisch Schiereiland behalve de hoogste en natste delen van de Cantabrische kust en de Pyreneeën, plus de Maghreb (Marokko, Algerije, Tunesië en de kust van Libië), Corsica, Sardinië, Sicilië en het uiterste zuiden van Frankrijk, waar hij sinds de jaren zeventig gestaag noordwaarts opschuift. Hij is standvogel en blijft doorgaans zijn leven lang in de omgeving van het dorp waar hij is uitgebroed. Het volledige wereldareaal valt binnen het kaartgebied van deze gids.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in Spanje of Portugal een half uur voor zonsondergang op een dorpsplein onder de platanen staan en wacht op de slaapplaats. In maart levert een zingend mannetje op een nokvorst het mooiste beeld op: tegenlicht laat de opgezette keelbaard en de gele snavel meteen zien. Wie in januari een gemengde zwerm in een olijfgaard of op een voetbalveld rustig uitkijkt, kan beide spreeuwen naast elkaar op rug en vleugel scheiden — de beste oefening die het schiereiland te bieden heeft.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De soort is een van de talrijkste vogels van Iberië en breidt nog steeds uit naar Noord-Frankrijk en naar de Cantabrische kust, geholpen door dorpen, irrigatielandbouw en olijfteelt. Problemen zijn plaatselijk: schade aan kersen, vijgen en tafeldruiven, en overlast van stedelijke slaapplaatsen, die soms wordt beantwoord met het kappen van de bomen. Het dichtzetten van muurgaten bij dakrenovaties kost hem nestplaatsen in oude stadskernen.

Wetenschappelijke naam

Sturnus unicolor Temminck, 1820

Temminck beschreef de soort in 1820 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sturnus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sturnus is het Latijnse woord voor 'spreeuw'. unicolor is Latijn voor 'eenkleurig', van unus 'één' en color 'kleur', naar het ongevlekte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sardinië.