Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Azorenvink
Azorenvink | Fringilla moreletti
Azores chaffinch | Pinzón de las Azores
Op de Azoren is dit de vink, en hij is er overal: in het laurierbos, langs de hortensiahagen tussen de weilanden, in de tuinen van Furnas en op de picknicktafel voor je koffie koud is. Hij wordt sinds 2021 als aparte soort behandeld, op grond van genetisch onderzoek, metingen en de zang; daarvoor stond hij als eilandvorm bij de vink. Wie hem naast een plaat van de vink houdt, ziet meteen waar het verschil zit: de rug is groen in plaats van roestbruin.
Geluid
De zang draagt de opbouw van de vinkenslag maar is korter en simpeler: een versnellend ratelend reeksje dat vlak eindigt, zonder de zwierige uithaal waarmee de vink afsluit. Hij klinkt vanaf februari tot in juni, vanuit een boomtop of een telefoondraad. De roep is een kort, veerkrachtig pink, zachter en hoger dan dat van de vink, en daarnaast een klagend hwiet bij vochtig weer — op de Azoren dus vrijwel dagelijks.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een vink met een groene rug. Het mannetje heeft een donker blauwgrijze kruin en nek, een zwart voorhoofdje, een donkere vlek achter het oog en daarboven een licht streepje; de mantel is olijfgroen, de stuit groenig. De onderdelen zijn zacht oranjeroze op keel en borst en lopen vuilwit uit over de buik, met grijze flanken — nergens het baksteenroze van de vink. Vleugel zwart met een brede witte schouderband en een tweede witte streep, plus gelige randen aan de slagpennen; de buitenste staartpennen zijn wit. De snavel is iets zwaarder en botter dan bij de vink. Het vrouwtje is grijsbruin met een groenige stuit en dezelfde opvallende vleugeltekening.
Verwarringssoorten
Naast de vink is het onderscheid geen kwestie van één kenmerk maar van drie tegelijk: de rug is olijfgroen in plaats van roestbruin, de onderdelen zijn bleker en meer oranje dan roze, en de kop is donkerder blauwgrijs, met een donkere vlek achter het oog waar de vink alleen egaal grijs heeft. Op de Azoren dwaalt in de winter enkele malen een vink of een keep binnen; de keep verraadt zich met de witte stuit en de oranje schouder. De andere eilandvinken zijn geen praktisch probleem — de Madeiravink zit duizend kilometer zuidelijker, de Canarische vink nog verder. Wel het vermelden waard: de Madeiravink heeft een blauwe onderrug die scherp tegen de groene bovenrug afsteekt, en bij de Canarische vink zijn kop én rug egaal diep blauwgrijs, zonder groen.
Leefgebied
Alles wat op de eilanden bomen of struiken draagt: het resterende laurierbos op de hoogten, de grote aanplanten van Japanse ceder, de hortensia- en boomheidehagen langs de wegen en tussen de weilanden, boomgaarden, dorpstuinen, parken en kraterranden. Hij gaat van de kust tot boven de tweeduizend meter op de Pico. Foerageert op de grond, tussen kort gras en op paden, en aan zaaddragende kruiden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Alle negen Azoreneilanden, van Corvo en Flores in het westen tot Santa Maria in het oosten, en op elk daarvan een van de talrijkste broedvogels. Hij trekt niet en steekt zelfs tussen de eilanden vrijwel niet over, zodat elke eilandbevolking op zichzelf staat. Buiten de archipel komt hij niet voor.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Je hoeft er niets voor te doen: parkeer bij het Parque Terra Nostra of bij een uitzichtpunt boven Sete Cidades, ga zitten, en binnen tien minuten loopt er een om je voeten. Neem dan de tijd voor de rug — dat groen is het hele verhaal — en let daarna op de donkere vlek achter het oog. In maart en april zingen ze op elke honderd meter langs de hortensiahagen.
Staat van instandhouding
De categorie hierboven is die van de gewone vink. BirdLife, dat de vogels voor de Rode Lijst beoordeelt, houdt deze vink nog bij die soort en beoordeelt hem dus niet apart; de gids toont daarom de categorie van de ruimere soort in plaats van “niet beoordeeld”, want beoordeeld is hij wel — alleen onder een ruimer soortbegrip. Feitelijk is hij op alle negen eilanden algemeen tot zeer algemeen, met een stabiele stand. Hij past zich moeiteloos aan aanplant, hagen en tuinen aan en is daardoor veel minder kwetsbaar dan de meeste vogels van deze archipel. Het verdwijnen van het oorspronkelijke laurierbos, dat andere Azorense vogels de das omdoet, raakt hem nauwelijks.
Wetenschappelijke naam
Fringilla moreletti Pucheran, 1859
Pucheran beschreef de soort in 1859 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fringilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fringilla is het Latijnse woord voor 'vink'. moreletti eert de Franse natuuronderzoeker Arthur Morelet (1809–1892), die op de Azoren verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Azoren.




