Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Bruinnekraaf
Bruinnekraaf | Corvus ruficollis
Brown-necked raven | Cuervo desertícola
De bruinnekraaf is de raaf van de woestijn, en zo heet hij in veel talen ook: corbeau brun, cuervo desertícola, woestijnraaf. Waar het laatste struikje ophoudt en er niets meer over is dan grind, zon en horizon, zit hij nog: op een telegraafpaal, bij een kadaver of achter een vrachtwagenparkeerplaats. Voor wie uit Europa komt is hij de eerste kraaiachtige die niet zwart maar donkerbruin ogen kan.
Geluid
Het meest bruikbare kenmerk op afstand. De roep is een langgerekt, nasaal en tamelijk hoog aaarrgh of kraaah, met een klaaglijke uithaal aan het eind, vaak twee of drie keer herhaald vanaf een paal of in de vlucht. Daarnaast een droog geratel, een kort blaffend kok bij het nest en, tussen partners, zacht gemompel. Wie de diepe klokkende kronk van de raaf in het oor heeft, herkent het verschil meteen: de bruinnekraaf klinkt schraler, hoger en veel minder resonant.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een slanke, langvleugelige raaf van 50 tot 56 centimeter, kleiner en lichter gebouwd dan de raaf en met een veel fijner profiel. Het verenkleed is zwart met een paarse glans, maar kop, nek en bovenborst dragen een warme bruinbronzen waas die in vol zonlicht en bij versleten zomerkleed heel duidelijk wordt en bij een pas geruide vogel in de schaduw bijna verdwijnt — reken er niet blind op. De snavel is lang en betrekkelijk slank, met een rechte bovenlijn die pas vlak voor de punt buigt. De keelveren zijn kort en glad, zonder de ruige baard van de raaf. In de vlucht valt de smalle, lange vleugel op en een staart die wigvormig is maar veel minder puntig uitloopt. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer en missen de bruine waas nog vrijwel geheel.
Verwarringssoorten
De raaf is de soort die telt, en in Marokko en Israël komen ze op dezelfde plekken voor. Drie dingen beslissen. De snavel: bij de raaf zwaar en hoog, met een sterk gebogen bovenlijn en een dikke borstel neusveren; bij de bruinnekraaf langer, slanker en tot vlak bij de punt recht. De nek: de raaf is overal zwart met blauwpaarse glans en draagt een ruige, uitstaande keelbaard; de bruinnekraaf heeft een gladde keel en die bruinbronzen waas over kop en nek. En de stem: de raaf klokt diep en vol, de bruinnekraaf roept een hoger, langgerekt en nasaal aaarrgh dat eerder aan een grote meeuw doet denken dan aan een raaf. In het Midden-Oosten staat ook de waaierstaartraaf ernaast: die is korter, breder van vleugel en heeft een staart die nauwelijks voorbij de vleugelpunten komt, terwijl de staart van de bruinnekraaf er een flink stuk achteruit steekt.
Leefgebied
Woestijn en halfwoestijn in alle vormen: grindvlakten en hamada, zandwoestijn met verspreide acacia's, wadi's, zoutvlakten en rotsige jebels. Overal daar waar mensen zitten schuift hij mee naar binnen: oases en palmtuinen, geïrrigeerde akkers aan de woestijnrand, vuilstorten, slachtplaatsen, kamelenmarkten, wegrestaurants en de bermen van doorgaande wegen, waar hij aangereden dieren opruimt. Alleseter en aaseter. Het nest staat in een acacia of dadelpalm, op een rotsrichel of tegenwoordig even vaak op een hoogspanningsmast.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
In het gebied van deze gids de hele woestijngordel: Marokko ten zuiden van de Atlas, met de Draa-vallei, Merzouga en de Westelijke Sahara, oostwaarts door Algerije, Tunesië en Libië, heel Egypte inclusief de Sinaï, en verder de Negev, de Arava, de Dode Zee-streek en Jordanië tot voorbij Petra. Naar het noorden stopt hij bij de Atlas en de mediterrane kuststrook, waar de raaf het overneemt. Buiten het gidsgebied loopt zijn areaal door tot in Arabië, Iran en Centraal-Azië. Hij trekt niet, maar zwerft ver rond op zoek naar voedsel en water; in Israël verzamelen zich buiten de broedtijd groepen van tientallen op slaapplaatsen.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zuid-Marokko is de gemakkelijkste kennismaking: de weg naar Merzouga, de Tagdilt-vlakte bij Boumalne Dades of elke woestijnrandbelt levert vogels op die dicht laten naderen. In Israël en Jordanië zoek je hem in de Arava en rond Eilat, vaak samen met waaierstaartraven op dezelfde vuilstort — precies de plek om de twee naast elkaar te zien. Kijk in het eerste of laatste uur licht, wanneer de lage zon de bruine waas op nek en borst laat oplichten; midden op de dag is elke kraaiachtige boven de woestijn gewoon zwart.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en over het hele areaal talrijk. De soort profiteert nadrukkelijk van mensen: irrigatie, vuilstorten, wegen met aanrijdingen en veeteelt in de woestijnrand hebben het aanbod aan voedsel en water sterk vergroot, en op veel plaatsen breidt hij uit. Dat is niet overal goed nieuws — in Israël wordt de toename in verband gebracht met predatie op eieren en jongen van zeldzame woestijnvogels en op jonge landschildpadden. Vervolging is plaatselijk, en vergiftigd aas dat voor andere dieren is uitgelegd treft hem net zo goed.
Wetenschappelijke naam
Corvus ruficollis Lesson, 1831
Lesson beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Corvus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Corvus is het Latijnse woord voor 'raaf'. ruficollis is Latijn voor 'roodbruin van hals', van rufus 'roodbruin' en collum 'hals'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapverdië.




