Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Citroenkwikstaart
Citroenkwikstaart | Motacilla citreola
Citrine wagtail | Lavandera cetrina
Een kwikstaart met een citroengele kop en een zwarte kraag in de nek — het volwassen mannetje is een van de mooiste vogels van Europa en tegelijk een van de eenvoudigste om te herkennen. Lastig is de soort in het najaar, wanneer de grijs-witte jonge vogels tussen de gele kwikstaarten op de kwelder staan. De citroenkwikstaart hoorde tot voor kort tot Rusland en Centraal-Azië, maar het broedgebied schuift al decennia westwaarts op: hij broedt inmiddels in Finland, de Baltische staten, Polen en Wit-Rusland, en de rand ligt elk decennium wat dichterbij.
Geluid
De roep is een luid, wat rauw en duidelijk raspend tsriep of dzriep, één lettergreep, met een schorre bijklank waardoor hij eerder aan een gors dan aan een kwikstaart doet denken. Dat geluid is voor de najaarsvogels het belangrijkste kenmerk dat ze zelf afgeven, en veel gevallen worden ermee gevonden voordat de vogel goed is gezien. De zang is een korte, eentonige strofe van heldere, hoge, wat kanariekleurige noten, herhaald vanaf een pol, een struikje of een draad boven natte weide, en in de broedgebieden ook in een korte zangvlucht. Zang van eind april tot in juli.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Vijftien en een halve tot zeventien centimeter, met een staart die korter is dan die van de grote gele kwikstaart maar langer oogt dan die van de gele. De poten zijn zwart. Het mannetje in zomerkleed laat zich niet vergissen: de hele kop en de hele onderzijde zijn helder citroengeel, en achter in de nek loopt een zwarte band die de gele kop van de grijze mantel scheidt als een kraag. De rug is zuiver blauwgrijs zonder een spoor van groen, de vleugel draagt twee brede witte banden en een witte zoom langs de armpennen, en de staart is zwart met witte buitenste staartpennen. Het vrouwtje is doffer geel, met een grijs-olijfkleurige kruin en oorstreek waarvan het gele gezicht als het ware wordt omlijst, en heeft dezelfde brede witte vleugelbanden. Het najaarskleed is de vorm waarin je hem hier ziet en verdient het meeste aandacht: grijs van boven zonder enig olijfgroen, zeer wit van onderen, met een licht voorhoofd, een breed lichtgrijs teugelveld en een bleke wenkbrauwstreep die om de achterkant van het oorveld heen buigt en zo een gesloten lichte omlijsting maakt. De twee witte vleugelbanden zijn dan opvallend breed, veel breder dan bij welke gele kwikstaart ook.
Verwarringssoorten
Alles draait om jonge gele kwikstaarten in augustus en september. Vier punten. Bovenzijde: bij de citroenkwikstaart zuiver grijs, koel van toon en zonder enig olijfgroen; bij de gele kwikstaart altijd met een groene of olijfbruine zweem. Onderzijde: bij de citroenkwikstaart wit, hoogstens met een vage warme waas op de flanken; bij de gele kwikstaart doorgaans geelbeige. Vleugel: twee zeer brede, schone witte banden tegenover twee smallere, vuilere. Kop: de bleke omlijsting rond het hele oorveld, met een licht voorhoofd en een brede lichte teugel, tegenover een wenkbrauwstreep die vóór het oog smaller wordt en een donkerder teugel. Bij twijfel is de roep beslissend: een luid, rauw en raspend tsriep, met veel meer ruis in de toon dan het volle psrie van de gele kwikstaart. De oostelijke gele kwikstaart klinkt vrijwel gelijk en heeft ook lichte onderdelen, maar mist de brede witte vleugelbanden en de gesloten lichte omlijsting om het oorveld, en heeft een langere achternagel. De grote gele kwikstaart is veel langer van staart, heeft vleeskleurige poten en een geelgroene stuit.
Leefgebied
Nat, laag en open land: drassige hooilanden en zeggemoerassen, oevers van meren en riviervlaktes met kwelplekken, verlandende poelen, veenmoerassen en, in het noorden van het broedgebied, natte toendra. Waar akkerbouw en natte weiden aan elkaar grenzen zit hij op de laagste, natste hoek. Het nest is een kuiltje op de grond in een zeggenpol of een graspol, meestal op een droger plekje midden in het natte. Buiten het broedseizoen op modderige oevers, kwelders, rijstvelden en langs de randen van rioolwaterzuiveringen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Finland, Estland, Letland, Litouwen, Polen en Wit-Rusland oostwaarts door Rusland tot Siberië, en zuidwaarts tot in Centraal-Azië en de Himalaya; alle vogels overwinteren in Zuid- en Zuidoost-Azië en aan de Perzische Golf. De westgrens van het broedgebied schuift al sinds de jaren zestig op: eerst Finland, daarna de Baltische staten, vanaf de jaren negentig Polen, met inmiddels ook broedgevallen verder westwaarts in Midden-Europa. In Nederland was er tot en met 1990 in totaal één waarneming; sindsdien wordt er elk jaar minstens één gevonden, meestal een jonge vogel in augustus of september langs de kust, en af en toe een zingend mannetje in het voorjaar. In Spanje blijft hij een uitzonderlijke zeldzaamheid.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De tweede helft van augustus en de eerste helft van september op een kwelder, een inlaag of een drooggevallen plas langs de kust, waar tientallen gele kwikstaarten bij elkaar staan. Loop de groep langzaam af en zoek naar de vogel die kouder grijs oogt en witter van onderen, en kijk dan naar de vleugel: twee brede, schone witte banden op een verder donkere vleugel is het teken. Luister ondertussen naar een rauwe, raspende roep tussen de volle roepjes van de gele kwikstaarten door. Wil je de volwassen man zien, dan is een reis naar Oost-Polen, Litouwen of Zuid-Finland in mei de kortste weg: in de natte hooilanden daar zit hij op de bovenste spriet, en dan is er geen twijfel mogelijk.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een grote en toenemende wereldpopulatie. De westwaartse uitbreiding van het broedgebied gaat al zestig jaar door en zet zich voort; er wordt verband gelegd met de opwarming van het klimaat en met het beschikbaar komen van natte, extensief gebruikte graslanden in Oost-Europa. Voor Nederland en de omringende landen betekent dat een gestage toename van het aantal waarnemingen, waarbij een deel van die toename komt doordat waarnemers de najaarsvogels tegenwoordig herkennen en de roep opnemen. Het risico voor de soort ligt waar het bij alle vogels van nat grasland ligt: ontwatering, vroeg maaien en het omzetten van moerasrand in akker.
Wetenschappelijke naam
Motacilla citreola Pallas, 1776
Pallas beschreef de soort in 1776 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. citreola is Latijn voor 'citroengeel', naar de kop en de onderdelen van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit oostelijk Siberië.



