Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Gele kwikstaart
Gele kwikstaart | Motacilla flava
Western yellow wagtail | Lavandera boyera
De gele kwikstaart is de vogel van het lage, natte, groene land: van weilanden met vee, van aardappel- en bietenakkers, van kwelders en polders. Het mannetje zit in mei op de bovenste spriet van een pol of op een prikkeldraad, feller geel dan alles eromheen, en laat een kort, opgaand psrie horen. Wat de soort bijzonder maakt is de kop: van Ierland tot Turkije draagt hij per streek een ander koppatroon, van geel via blauwgrijs tot gitzwart, en al die vormen horen tot dezelfde soort. Het loont om ze te leren, want in mei staan ze soms in één weiland bij elkaar.
Geluid
De roep is een vol, licht opgaand psrie of tsjuu-iep, luider en zangeriger dan je van zo'n klein vogeltje verwacht, meestal in de vlucht en vaak het eerste teken dat er een groepje over de akker komt. De noordse en de balkanvorm roepen schorder en raspender, met een duidelijke ruis in de toon; wie dat verschil hoort, kijkt meteen beter. De zang stelt weinig voor: twee tot vier ijle, schrapende noten, tsrie-tsrie-tsrip, herhaald vanaf een spriet, een draad of een kluit, soms in een kort fladderend zangvluchtje. Te horen van eind april tot in juli.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Kleiner en vooral korter van staart dan de andere kwikstaarten, vijftien tot zestien centimeter, met zwarte poten en een fijne zwarte snavel. De bovendelen zijn olijfgroen tot geelgroen — niet grijs — en de onderdelen zijn geel, bij het mannetje in het voorjaar helder citroengeel tot op de onderstaartdekveren. De vleugel is donker met twee smalle lichte banden, de staart zwart met witte buitenste staartpennen, en ook deze kwikstaart wipt onafgebroken met de staart, al is de beweging korter en driftiger dan bij de witte. Vrouwtjes zijn doffer, groenbruin van boven en bleekgeel tot vuilwit van onderen, met een vage lichte wenkbrauwstreep. Jonge vogels in het najaar zijn beigebruin met een donkere teugelstreep, een roomkleurige wenkbrauw en een halsbandje van donkere vlekjes; hun onderdelen zijn vaak nauwelijks geel, en dan blijven de olijfgroene rug, de korte staart en de roep het houvast. De vlucht is diep golvend en laag over het gewas.
Verwarringssoorten
Het echte werk zit niet bij andere soorten maar bij de vormen van deze soort zelf. In het voorjaar is de kop van het mannetje de sleutel, en die is met vier vragen te lezen. Is de héle kop geelgroen, met een gele wenkbrauwstreep en een gele keel? Dan is het flavissima, de Engelse gele kwikstaart, die in Groot-Brittannië en Ierland broedt en bij ons in kleine aantallen langs de kust doortrekt. Is de kruin blauwgrijs met een lange, scherpe witte wenkbrauwstreep van de snavel tot in de nek, een wit streepje onder de wang en een gele keel? Dan is het de nominaatvorm flava, de blauwkop, de vorm van Nederland, België, Frankrijk, Duitsland en het grootste deel van het continent. Is de kop donker zónder wenkbrauwstreep, maar de keel wél geel? Dan gaat het om thunbergi, de noordse gele kwikstaart, met een leigrijze kruin en zwartige oorstreek, of om feldegg, de balkanvorm, met een glanzend gitzwarte kruin en oorstreek die tot in de nek doorloopt. Is de kop grijs en de keel wít? Dan zit je in het zuidwesten: iberiae van Iberië, Zuid-Frankrijk en de Maghreb heeft een korte witte wenkbrauwstreep die vooral áchter het oog staat, cinereocapilla van Italië en de Adriatische kust heeft er hooguit een wit vlekje. Vrouwtjes en najaarsvogels zijn meestal niet op vorm te brengen; dat hoeft ook niet. Buiten de eigen soort is er weinig gevaar: de grote gele kwikstaart is langer van staart, blauwgrijs op de rug met een geelgroene stuit en heeft vleeskleurige poten; jonge citroenkwikstaarten zijn grijs en wit zonder enig olijfgroen, met twee zeer brede witte vleugelbanden.
Leefgebied
Open, laag en vochtig land zonder opgaande begroeiing, met een enkele uitkijkpost en genoeg insecten: extensief beweid grasland, kwelders en buitendijkse weiden, natte hooilanden, en tegenwoordig vooral akkers met een dicht maar niet te hoog gewas — aardappelen, bieten, graan, luzerne. Vee helpt: rond koeien en paarden staan de meeste vliegen, en de vogels lopen letterlijk tussen de poten door. Het nest is een kuiltje op de grond, verborgen onder een graspol of tussen de aardappelruggen. Op de trek in kwelders, slikranden, rioolwaterzuiveringen en kale akkers, vaak in losse groepjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Ierland tot ver in Rusland en van Noord-Scandinavië tot Noord-Afrika en Turkije, en overwintert vrijwel geheel in Afrika ten zuiden van de Sahara. In Nederland broeden 42.000 tot 74.000 paren (2018–2020), maar de aantallen zijn sinds de jaren zestig met de helft tot driekwart afgenomen, en op grasland zelfs met ongeveer negentig procent; het zwaartepunt is daardoor verschoven naar de akkerbouwgebieden van Flevoland, Groningen, de Wieringermeer en Zeeland. In Spanje broedt vooral iberiae, in vochtige weiden, rijstvelden en irrigatiegebieden, en in april en mei en opnieuw in augustus en september trekken er grote aantallen van alle vormen doorheen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De eerste helft van mei, bij zonnig en windstil weer, langs een kwelder, een polderweg of een pas opgekomen aardappelakker. Zoek naar het gele stipje bovenop een pol of op het prikkeldraad en neem de tijd voor de kop; met de zon in de rug is het verschil tussen een blauwe kruin met witte wenkbrauw en een leigrijze kruin zonder wenkbrauw op vijftig meter al te zien. Half mei is de beste kans op de noordse vorm, die dan als laatste doortrekt, vaak in groepjes op kwelders en langs de Waddenkust. Loop in augustus dezelfde plekken af voor de bruine jonge vogels en let dan alleen op de olijfgroene rug, de korte staart en de roep.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in West-Europa een van de duidelijkste verliezers van het boerenland. In Nederland staat de gele kwikstaart als gevoelig op de Rode Lijst. De oorzaken lopen samen: het verdwijnen van vochtig, kruidenrijk en extensief beweid grasland, vroeg en frequent maaien waardoor de nesten op de grond het niet halen, de verdroging van polders en, over de hele linie, minder insecten. Waar de soort standhoudt is dat vrijwel altijd op akkers, en daar helpt hetzelfde beheer als voor de veldleeuwerik: kruidenrijke randen, later bewerken en gewassen die tot in juni dekking geven. In het Middellandse Zeegebied en in Oost-Europa zijn de aantallen aanzienlijk stabieler.
Wetenschappelijke naam
Motacilla flava Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla voerde hij in datzelfde werk in. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. flava is Latijn voor 'goudgeel', naar de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Zweden.



