Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Grote gele kwikstaart
Grote gele kwikstaart | Motacilla cinerea
Gray wagtail | Lavandera cascadeña
De langste staart van alle Europese zangvogels, en de vogel weet het: hij zit op een steen midden in een stroomversnelling, wipt met die staart tot ver onder het niveau van zijn poten en schiet dan met een scherp tsi-tsit laag over het water weg. Zijn plek is het snelstromende water — beken over grind, watermolens, stuwen, sluizen, bergriviertjes — en in de winter komt hij daarvandaan naar beneden, tot op de platte daken en de parkeerplaatsen van dorpen en steden.
Geluid
De roep is een scherp, hard en metalig tsi-tsit of tsi-tsi-tsit, hoger, ijler en snijdender dan het tsjis-lik van de witte kwikstaart, en boven het geraas van stromend water uit nog goed hoorbaar — vaak is het het enige wat je van de vogel merkt voor hij langs schiet. De zang is een korte, hoge reeks van diezelfde noten met een rollend trillertje erin, gebracht vanaf een steen, een muurtje, een brugleuning of een draad, en soms in een kort zangvluchtje boven het water. Te horen van februari tot in juli.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Zeventien tot twintig centimeter, waarvan meer dan de helft staart: de silhouetproporties zijn het eerste wat opvalt, want geen andere kwikstaart oogt zo lang en zo dun achter. De bovendelen zijn blauwgrijs, de stuit is geelgroen — rug en stuit hebben dus verschillende kleuren, en dat is een van de scherpste kenmerken van de soort. De onderstaartdekveren en de onderbuik zijn helder citroengeel, ook in de winter, terwijl borst en flanken dan bleek kunnen zijn; het lijkt of de vogel een geel broekje draagt. De poten zijn vleeskleurig tot bleekroze, nooit zwart. Over het oog loopt een fijne witte wenkbrauwstreep, en daaronder bij het mannetje een witte baardstreep die een gitzwarte keel omlijst — dat zwarte veld draagt hij van het late voorjaar tot in de zomer. Het vrouwtje en de wintervogels hebben een witte of vaag gevlekte keel. In vlucht valt een brede witte vleugelstreep op tegen de zwarte hand- en armpennen, en de vlucht zelf golft dieper dan bij welke andere kwikstaart ook.
Verwarringssoorten
De vergissing die telkens gemaakt wordt, is met de gele kwikstaart, en de vier ijkpunten zijn eenvoudig. Staart: bij de grote gele kwikstaart lang en dun, ongeveer de helft van de vogel, bij de gele kwikstaart kort en gedrongen. Rug tegenover stuit: bij de grote gele kwikstaart blauwgrijs met een geelgroene stuit, dus twee kleuren; bij de gele kwikstaart is de hele bovenzijde olijfgroen en steekt de stuit niet af. Poten: vleeskleurig tegenover zwart. En de kalender: een gele kwikstaart in Nederland in december bestaat niet, want die zit dan in Afrika. In de zomer geeft het mannetje het cadeau weg: een lange, dunne staart met een geel broekje boven een gitzwarte keel is niets anders dan deze soort. De witte kwikstaart heeft geen geel, een even grijze stuit als rug en zwarte poten. Jonge citroenkwikstaarten zijn grijs en wit zonder geel en hebben twee opvallend brede witte vleugelbanden en een veel kortere staart.
Leefgebied
Snelstromend, ondiep water met stenen, grind en structuur: beken en riviertjes over een harde bodem, bergstromen, watervallen, stuwen, sluizen, molenwielen, vistrappen en kanaalduikers. De vogel foerageert lopend en huppend over natte stenen, tussen mos en op de rand van het schuim, en vangt insecten ook in de lucht boven het water. Het nest zit in een nis vlak boven de stroom: een gat in een keermuur, tussen boomwortels in een steilrand, onder een brug, in het metselwerk van een molen. In de winter is hij veel minder kieskeurig en komt hij op rioolwaterzuiveringen, kassen, jachthavens, platte daken, parkeerplaatsen en zelfs op stadsgrachten terecht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Ierland en Iberië tot de Kaukasus en verder oostwaarts tot Japan, en verder op de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden en in het Atlasgebergte; noordelijke en oostelijke vogels trekken, zuidelijke en westelijke blijven zitten. In Nederland is het een schaarse maar toegenomen broedvogel: van ongeveer honderdvijftig paren in de jaren zeventig naar 300 tot 400 paren in 2018–2020, met het zwaartepunt in Zuid-Limburg, de Achterhoek, de Veluwe en op Brabantse beken en molens; de laatste jaren gaan de aantallen in de oude kerngebieden weer wat achteruit. In de winter is de soort veel wijder verspreid, tot in het westen van het land, en komen er vogels uit Duitsland en Scandinavië bij. In Spanje is hij een algemene standvogel van berg- en heuvelbeken, van de Picos de Europa tot de Sierra Nevada.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de winter naar een stuw, een molenwiel of een vistrap midden in een dorp of stad. Juist daar zit hij in november tot februari het gemakkelijkst: op de betonrand van de stuw, in de goot van een fabrieksdak of aan de kant van een parkeerplaats bij het water, vaak op tien meter en volstrekt onverstoorbaar. Voor het volle zomerkleed met de zwarte keel is april tot juni langs een snelstromende beek in Zuid-Limburg, de Ardennen of de Eifel de beste keus; luister eerst naar het scherpe tsi-tsit, want dat hoor je boven het water uit voordat je de vogel ziet.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Nederland heeft de soort geprofiteerd van schoner beekwater, van beekherstel met stenen en stuwen en van een reeks zachte winters, en is hij van een zeldzaamheid een gewone verschijning in het heuvelland geworden. Kwetsbaar blijft hij op twee punten: een strenge winter met langdurig ijs kost in één keer een groot deel van het bestand, en het kanaliseren, uitbaggeren en beschoeien van beken haalt zowel de stenen waar hij op foerageert als de nissen waarin hij nestelt weg. In Groot-Brittannië, waar de soort veel talrijker is, staat hij na een langdurige afname op de lijst van soorten met de hoogste zorgstatus.
Wetenschappelijke naam
Motacilla cinerea Tunstall, 1771
Tunstall beschreef de soort in 1771 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. cinerea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis 'as', naar de grijze bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Wycliffe in Engeland.



