Alle soortenZangvogelsMussen › Italiaanse mus

Italiaanse mus | Passer italiae

Italian sparrow | Gorrión italiano

Wie in Rome, Napels of Palermo op een terras zit en er komt een mus om de kruimels, dan is dat deze. De Italiaanse mus is de gewone huismus van vrijwel heel Italië, van Corsica en van Kreta, en hij ziet er ook precies zo uit — met dit verschil, dat hij een kastanjebruine kruin draagt in plaats van een grijze en een spierwitte wang in plaats van een grauwe. Hij wordt sinds 2011 in de meeste lijsten als aparte soort behandeld; een deel van de literatuur houdt hem nog altijd bij de huismus. Voor de vogelaar in het veld is de vraag anders en eenvoudiger: hoe ziet de vogel eruit, en waar houdt hij op?

Italiaanse mus (Passer italiae)
Foto: Loz (L. B. Tettenborn) — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Niet te onderscheiden van de huismus, en dat is op zichzelf een gegeven: hetzelfde tsjilp in reeksen vanaf een dakgoot of een luifel, hetzelfde nasale geratel bij alarm, hetzelfde rollende tsjur-tsjur van een opvliegende groep en hetzelfde avondgeroezemoes uit een dichte klimop. Wie in Italië op geluid wil determineren, komt niet verder dan mus; de kruin moet de rest doen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Formaat, houding en snavel als bij een huismus. Het mannetje heeft een geheel kastanjebruine kruin en nek, zonder een spoor van grijs, zwarte teugels en een grote, zuiver witte wang die tot in de halszijde doorloopt en scherp tegen het kastanje afsteekt. De zwarte bef is klein en netjes begrensd: kin, keel en een beperkt deel van de bovenborst, en niet meer dan dat. De onderdelen zijn effen vuilwit tot lichtgrijs en missen de zwarte flankstrepen die de Spaanse mus zo gevlamd maken. De rug is warm kastanjebruin met zwarte lengtestrepen, de vleugel toont één witte streep, de snavel is zwart in de broedtijd en hoorngeel daarbuiten. In de winter is het patroon door lichte veerranden gedempt, maar de kastanjebruine kruin blijft zichtbaar. Het vrouwtje is niet van een huismusvrouwtje te onderscheiden: vlak grijsbruin, met een bleke wenkbrauwstreep en een gestreepte rug. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Twee soorten doen ertoe, en beide op één kenmerk. Tegenover de huismus: die heeft een gráuwe kruin en een grauwwitte wang; de Italiaanse mus heeft kastanje op de kruin en wit op de wang. Tegenover de Spaanse mus: die deelt de kastanjebruine kruin en de witte wang, maar heeft een veel grotere zwarte bef en zware zwarte strepen over borst en flanken, terwijl de Italiaanse mus onder de kleine bef effen licht is. In een groep zijn de vrouwtjes van alle drie niet te scheiden. Belangrijker dan de kenmerken zijn hier de grenzen. In Noord-Italië, in de zuidelijke Alpendalen en aan de Oostenrijkse en Sloveense kant, staat een smalle strook van hooguit twintig tot dertig kilometer breed waarin de kenmerken van huismus en Italiaanse mus in alle mogelijke combinaties door elkaar lopen: vogels met een half grijze kruin, met een grauwe wang bij een kastanjebruine pet, met een bef die te groot of te klein is. Die vogels zijn niet op naam te brengen, en het is geen gebrek aan ervaring als dat niet lukt. Op Sicilië en Malta gebeurt hetzelfde aan de andere kant, richting de Spaanse mus. Ten zuiden van de Povlakte en op Corsica, Sardinië en Kreta is het beeld daarentegen wél eenduidig.

Leefgebied

Precies de plekken waar in het noorden de huismus zit: stadscentra en pleinen, buitenwijken, dorpen, boerenerven, campings, treinstations en havens, en daaromheen olijfgaarden, wijngaarden, moestuinen en graanakkers waar hij foerageert. Het nest is een slordige overdekte bal van halmen en veren in een spleet onder de dakpannen, in een muurgat, achter een luik, in een holte in een oude gevel of in een nestkast, en verder vaak los in een boomkruin of in de takken van een groot nest van een andere vogel. Van zeeniveau tot in de bergdorpen van de Apennijnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Heel Italië, van de Povlakte tot Sicilië, verder Corsica, Sardinië en Kreta, en aan de noordrand nog een strook van zuidelijk Zwitserland, Zuid-Oostenrijk en Slovenië. In Noord-Italië en in de Alpendalen grenst zijn areaal aan dat van de huismus in een smalle overgangsstrook; ten noorden daarvan zit de huismus, ten zuiden ervan de Italiaanse mus. In Zuid-Italië, op Sicilië en op Malta grenst hij aan de andere kant aan de Spaanse mus. Buiten dit gebied is hij een grote zeldzaamheid. Hij trekt niet, en zwerft ook nauwelijks: de kolonies zitten het hele jaar op dezelfde straat.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Neem in Italië, op Corsica of op Kreta een terras of een dorpsplein en kijk gewoon naar de mussen die om de kruimels komen — u hoeft er niets voor te doen. Kies een mannetje op een tafel of een stoelrug, op een halve meter afstand, en let op twee dingen tegelijk: de kruin (kastanjebruin tot in de nek) en de flanken (effen licht, zonder strepen). Dat tweede punt maakt het onderscheid met de Spaanse mus, dat eerste met de huismus. Reist u door de Alpen naar het zuiden, kijk dan onderweg elke honderd kilometer even naar de kruin van een mannetje: ergens tussen Innsbruck en Verona kantelt het beeld, en daartussen zit de strook waar de vogels alles door elkaar laten zien.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar op de wereldwijde Rode Lijst (IUCN: Vulnerable), en dat is voor een vogel die op elk Italiaans plein om de kruimels komt een verrassing. De reden is niet zeldzaamheid maar snelheid: de Italiaanse tellingen laten al decennia een stevige, aanhoudende afname zien, en omdat het hele areaal uit Italië, een paar eilanden en een randje daarbuiten bestaat, telt die afname meteen mondiaal mee. De oorzaken zijn dezelfde als bij de huismus in Noordwest-Europa: bij restauratie en isolatie van gebouwen worden de spleten onder de dakpannen en in de gevels dichtgezet, groenstroken en rommelhoeken worden verhard, en er is in het voorjaar minder insectenvoedsel binnen het kleine actiegebied van een broedende mus. Het beeld is niet overal gelijk: op het platteland en in de kleine bergdorpen is de stand nog gezond, en het zijn vooral de steden en het intensieve akkerland van de Povlakte waar hij wegvalt. Wie in Italië nestpannen ophangt en een dichte haag laat staan, doet voor deze soort hetzelfde als een Nederlandse tuinier voor de huismus.

Wetenschappelijke naam

Passer italiae (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla italiae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. italiae is Latijn voor 'van Italië', het schiereiland waar de soort vrijwel geheel thuishoort. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.