Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Amerikaanse smient

Amerikaanse smient

Mareca americana | American wigeon | Silbón americano

Een Noord-Amerikaanse smient die vrijwel jaarlijks in Nederlandse smientenkoppels opduikt. De man verraadt zich door zijn romige kruin en groene oogmasker, maar juist de vrouwtjes vragen geduldig speurwerk.

Amerikaanse smient (Mareca americana)
Foto: Frank Schulenburg — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De man fluit anders dan de smient: een droog, drieledig whi-whiu-whiu met een nasale, kwakende klank, waar de smient een schel en helder wiew laat horen. Het vrouwtje geeft een laag knorrend krr-krr. Vooral te horen in baltsende wintergroepen van januari tot maart, wanneer mannetjes elkaar achtervolgen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

De man heeft een grijs gespikkelde kop met een roomwitte kruinstreep en een breed groen masker van het oog tot in de nek; borst en flanken zijn wijnroze en vóór de zwarte staartwig staat een wit flankvlak. Vrouwtje en eclipsman zijn warm roodbruin op de flanken met een scherp afstekende grijze kop, en tonen onder de vleugel witte oksels.

Verwarrings­soorten

Alles draait om de smient. Bij de man vervangt een roomwitte kruin met groen oogmasker de kastanjebruine kop met gele bles, en zijn de flanken wijnroze in plaats van grijs. Bij vrouwtjes is de scherpe grens tussen grijze kop en roodbruine flanken doorslaggevend, samen met de witte oksels; de smient heeft grijze oksels.

Leefgebied

Ondiepe wateren met kort begraasde oevers: ondergelopen graslanden, brakke kreken, zoete plassen en getijdengebied. In Nederland vrijwel altijd tussen grote grazende smientengroepen op nat grasland of langs zoetwatermeren. Graast op het land of plukt zwemmend van het wateroppervlak, en duikt vrijwel nooit.

Verspreiding en trek

Broedt in Alaska en Canada en overwintert in Noord-Amerika; in Europa een zeldzame maar vrijwel jaarlijkse dwaalgast. In Nederland gaat het om enkele vogels per winter, vooral in het Deltagebied, langs het IJsselmeer en in Friesland. In Spanje en Portugal is de soort veel zeldzamer, met losse waarnemingen in Galicië en de Ebrodelta.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek van december tot maart de grote smientenkoppels op nat grasland af, bij voorkeur in de ochtend als de vogels dicht opeen grazen. Werk met de telescoop systematisch kop voor kop; de romige kruin van de man springt eruit zodra hij zijn hoofd optilt. Controleer bij opvliegende groepen de witte oksels.

Staat van instandhouding

Wereldwijd talrijk en stabiel, met een ruime broedverspreiding in het Noord-Amerikaanse boreale gebied. De Europese waarnemingen betreffen echte dwaalgasten en zeggen weinig over de populatie. Drooglegging van prairiemoerassen en jachtdruk in de overwinteringsgebieden zijn de bekendste drukfactoren, maar de soort verdraagt die vooralsnog goed.