Alle soortenZangvogelsKraaiachtigen › Alpenkraai

Alpenkraai | Pyrrhocorax pyrrhocorax

Red-billed chough | Chova piquirroja

De alpenkraai is een zwarte kraaiachtige met een lange, dunne, gebogen snavel van een onwaarschijnlijk helder rood, en poten in dezelfde kleur. Met die snavel peutert hij mieren, kevers en emelten uit kort begraasde zode. Zijn naam wijst naar de bergen, maar hij is net zo goed een vogel van de zeekliffen van Ierland, Wales en Bretagne; zijn vlucht is breed en wiegend, met wijd gespreide vingers.

Alpenkraai (Pyrrhocorax pyrrhocorax)
Foto: Domènec Leal Martínez — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Eén roep beheerst het geluidsbeeld: een luid, hel en ver dragend tsjaow of kjeh-auw, dat begint met een scherpe aanzet en dan wegzakt. Het klinkt als de roep van een kauw, maar dan voller, luider en veel helderder van klank, en het draagt over een hele kliffront of een halve bergwand. Daarnaast een korter, hoger kwiek en, bij onrust, een reeks harde, ratelende noten. Meestal hoor je de vogel eerst en zie je hem daarna langs de rand van de klif verschijnen.

Luister: Roepen (Cardiganshire, Wales)Wikimedia Commons

Opname: Victor C. Lewis / British Library — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Ongeveer zo groot als een kauw en een zwarte kraai in, maar slanker dan de kraai en met een geheel eigen silhouet. Het verenkleed is diep zwart met een groenblauwe glans; alles wat opvalt zit aan de uiteinden: een lange, dunne, duidelijk naar beneden gebogen bloedrode snavel en helderrode poten. In de vlucht zijn de vleugels opvallend breed en recht van achterrand, met diep gespreide handpennen die als vingers uiteenstaan, en de staart is kort en recht afgesneden; het geheel oogt daardoor breed en gedrongen. Jonge vogels zijn doffer zwart, met een korter, dof oranje snaveltje en roze poten, en zijn in hun eerste zomer het lastigst. Bij baltsende paren en in de wind langs een klif hoort een spel van duiken, zijwaarts wegglijden en op de rug rollen.

Verwarrings­soorten

In de bergen deelt hij zijn wanden met de alpenkauw, vaak in dezelfde troep, en dan zijn snavel en vleugelvorm beslissend. De alpenkraai heeft een lange, dunne, gebogen rode snavel; de alpenkauw een korte, rechte, gele. In de vlucht heeft de alpenkraai brede vleugels met diep gevingerde handpennen en een korte, recht afgesneden staart, terwijl de alpenkauw smallere, nauwelijks gevingerde vleugels heeft en een langere staart die in rust voorbij de vleugelpunten uitsteekt. Ook op afstand blijft dat te zien: de een breed en hoekig, de ander slank en langstaartig. De stemmen liggen ver uiteen — een luid, hel en ver dragend tsjaow tegenover een rollend priep en een fluitend, dalend swieee-oo. Jonge alpenkraaien met hun doffe oranje snavel zijn de valkuil, maar die snavel blijft lang en gebogen. De kauw is kleiner, korter van snavel, heeft een grijze nek en een lichtgrijs oog en roept een helder kjak. De zwarte kraai is zwaarder gebouwd, met een dikke zwarte snavel, een donker oog, een egaal zwart kleed zonder rode accenten en een trage, gelijkmatige vleugelslag.

Leefgebied

Twee gezichten van hetzelfde leven. In het binnenland rotswanden, kloven, grotten, oude gebouwen en steengroeven om te broeden, met daarnaast kort begraasde droge graslanden en berghellingen om te foerageren. Aan de kust broedt hij in spleten en grotten van zeekliffen en zoekt hij zijn voedsel op de kort begraasde graslanden en duinweiden erboven. Het foerageergebied is beslissend: hij heeft een zode nodig van hooguit een paar centimeter, kort gehouden door vee of schapen, waar hij mieren, kevers, larven en emelten uit de grond kan peuteren. Waar het gras dichtgroeit, verdwijnt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van west naar oost een gebroken lint langs kust en gebergte: West-Ierland, Man, Wales, Zuidwest-Schotland en Cornwall, Bretagne, Iberië, de Alpen, Italië, de Balkan, Griekenland en Kreta, Turkije en de Kaukasus, plus Noordwest-Afrika; vandaar door over Centraal-Azië en de Himalaya tot in China, ver buiten deze gids. In de laaglanden van Noordwest-Europa ontbreekt hij. Op de Britse Eilanden telde de laatste volledige telling zo'n 430 paren; de Cornische vogels, in 2001 op eigen kracht uit Ierland gekomen, kwamen in 2024 tot 55 broedpogingen. Iberië herbergt de grootste Europese bevolking, in de bergketens van noord, oost en zuid en tot in de laagvlakte waar cortados, ruïnes en oude gebouwen nestplaatsen bieden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek op de Britse Eilanden — Ramsey Island, the Lizard, de Great Orme — een kliftop met kort gegraasd gras en wacht daar op de roep; de vogels komen vaak van onder de rand omhoog en glijden dan vlak over de zode. In de bergen werkt hetzelfde recept op een pas of een steile wand boven een beweid dal. Kijk in het Middellandse Zeegebied ook naar oude kerktorens, kastelen en verlaten dorpen, waar hij in nissen en spleten broedt. Let bij elke troep op de snavelkleur en, bij zittende vogels, of de staart voorbij de vleugelpunten steekt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in Europa is het beeld ongelijk. Het areaal is in de twintigste eeuw op veel plaatsen kleiner en versnipperder geworden door het verdwijnen van kleinschalige, extensieve veehouderij, door vervolging en door verstoring; in Frankrijk, Groot-Brittannië en Ierland lijken de aantallen zich intussen te hebben gestabiliseerd. De sleutel ligt bij de begrazing: waar runderen of schapen de kliftoppen en berghellingen kort houden, houdt de soort stand, en waar dat ophoudt verdwijnt zij binnen enkele jaren. Beheer dat de kustweiden begraasd houdt, geldt daarom als de meest effectieve maatregel.

Wetenschappelijke naam

Pyrrhocorax pyrrhocorax | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Upupa pyrrhocorax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pyrrhocorax werd in 1771 ingevoerd door Tunstall. Pyrrhocorax is Grieks, van purrhos 'vuurrood' en korax 'raaf', naar de zwarte kraaiachtige met rode snavel en poten. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Engeland.