Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Amerikaanse goudplevier
Amerikaanse goudplevier | Pluvialis dominica
American golden-plover | Chorlito dorado americano
De Amerikaanse tegenhanger van de goudplevier, en de soort die het vaakst uit een groep goudplevieren wordt gepikt — meestal op vorm en houding, voordat er één veer is bekeken. Ierland en West-Engeland krijgen verreweg de meeste meldingen; verder in het kaartgebied vooral op de Azoren en langs de Atlantische kust van Galicië en Cantabrië, meestal in de nazomer en herfst. Verder oostwaarts, zoals in de Lage Landen, gaat het om enkele gevallen per jaar, vrijwel altijd een jonge vogel tussen honderden soortgenoten op een akker.
Geluid
Een vlak, ietwat schor klieep of gerekt kwie-del, lager en korter afgebeten dan het heldere, klaaglijke tloe van de goudplevier en zonder de opgaande tweede lettergreep van de Aziatische goudplevier. Dwaalgasten roepen vooral bij het opvliegen met de groep.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Slanker en kleiner dan de goudplevier, langpotiger en met een opvallend lang achterlijf. In prachtkleed is de hele onderzijde zwart, van kin tot onderstaartdekveren, met een brede witte band die van het voorhoofd over het oog en langs de halszijde loopt en als een blok op de borstzijde eindigt; de flanken blijven zwart. De bovendelen zijn wit en lichtbeige gespikkeld, niet goudgeel. Jonge vogels en winterkleed zijn koel grijsbruin met een opvallende lichte wenkbrauw, een donkere kap en een egale grijze waas over de borst. In rust steken vier of vijf handpentoppen voorbij de korte tertials en reikt de vleugelpunt duidelijk voorbij de staart.
Verwarringssoorten
De okselveren geven de doorslag. De goudplevier heeft zuiver witte oksels en een witte ondervleugel, de Amerikaanse goudplevier rookgrijze en de Aziatische goudplevier grijsbruine. In vlucht, tegen het licht, is dat vlekje onder de vleugel het enige kenmerk dat nooit bedriegt; een rustende vogel met opgevouwen vleugels is vaak simpelweg niet op naam te brengen tot hij ze opent. Tegenover de Aziatische goudplevier heeft deze soort de langste handpenprojectie, met vier tot vijf pentoppen vrij van de tertials en een vleugelpunt ver voorbij de staart; bij de Aziatische zijn dat er twee tot drie en eindigt de vleugelpunt ongeveer op de staartpunt. De Aziatische oogt kortvleugelig doordat zijn tertials lang zijn en bijna tot de vleugelpunt reiken; bij de Amerikaanse zijn de tertials kort en oogt de vleugel uitgerekt. De Aziatische heeft een langer scheenbeen en staat hoger op de poot; de Amerikaanse oogt groter van kop, met een steiler voorhoofd en een krachtiger wenkbrauwstreep. In prachtkleed is de Amerikaanse tot onder de staart egaal zwart, terwijl de Aziatische wit gevlekte flanken en onderstaartdekveren toont en een witte halsstreep die dóórloopt langs de flank in plaats van op de borst te stoppen. Tegenover de gewone goudplevier zijn beide Amerikaanse soorten slanker, grijzer en langpotiger, en geen van beide toont de witte okselflits.
Leefgebied
Kort begraasd grasland is de klassieke plek: zeedijken, kwelderranden, ingezaaide graslanden en vliegvelden, in het binnenland stoppels en pas geploegde akkers. De vogels slapen op de slikken en foerageren op het gras, en zitten vrijwel altijd binnen een groep goudplevieren en kieviten in plaats van alleen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt op de arctische toendra van West-Alaska tot Noord-Canada en overwintert op de graslanden van zuidelijk Zuid-Amerika. In het kaartgebied is Ierland veruit het bolwerk, daarna de Hebriden, West-Schotland en de Azoren: bijna jaarlijks, vooral van eind augustus tot begin november, meest juvenielen. Oost- en zuidwaarts snel schaarser: langs de Noordzeekust een handvol per jaar, in Iberië een zeldzaamheid, vooral van september tot november in Galicië, Asturië, de Ebrodelta en de Guadalquivirmoerassen.
Hoe en wanneer kijken
Zoek van eind september tot half oktober, na een reeks Atlantische depressies, de grote goudpleviergroepen op — kustgrasland in West-Ierland en op de Hebriden, kwelders en polders langs de Noordzee, moerassen en graanvlakten in Iberië — en werk ze met de telescoop rij voor rij af. Let eerst op houding: de gezochte vogel staat hoger, oogt grijzer en heeft een langere vleugelpunt. Wacht dan tot de groep opvliegt; het grijze okselvlak tegenover al dat wit maakt de zaak in één seconde rond.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een grote en ogenschijnlijk stabiele broedpopulatie in het arctisch gebied. De druk zit vooral op de trek: de soort hangt aan een beperkt aantal graslanden en moerassen in de Great Plains en in Zuid-Amerika, en die worden gestaag omgeploegd of drooggelegd.
Wetenschappelijke naam
Pluvialis dominica | (Müller, 1776)
Müller beschreef de soort in 1776 als Charadrius dominicius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pluvialis werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Pluvialis is Latijn voor 'van de regen', van pluvia 'regen', naar het oude geloof dat deze plevieren samendromden wanneer er regen op komst was. dominica verwijst naar Santo Domingo, het eiland dat nu Hispaniola heet, in de West-Indische eilanden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola.



