Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Bonapartes strandloper

Bonapartes strandloper | Calidris fuscicollis

White-rumped sandpiper | Correlimos culiblanco

De talrijkste van de Amerikaanse strandlopers die op eigen kracht Europa halen, en de enige met een gaaf wit stuitvlak. Groot-Brittannië telt hem ieder jaar in kleine aantallen, met een piek van eenenvijftig in 2019; Nederland heeft tweeënzestig aanvaarde gevallen, waarvan zevenenvijftig na 2000 (sinds 2023 beoordeelt de commissie de soort niet meer); Spanje heeft ruim negentig gevallen, voor meer dan de helft op de Canarische Eilanden. Langdurig verblijvende adulte vogels zijn overal een terugkerend beeld.

Bonapartes strandloper (Calidris fuscicollis)
Foto: Ómar Runólfsson — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een uiterst hoge, dunne, ijle piep, tsiet of tsjiet, die meer aan een vleermuis of een spitsmuis doet denken dan aan een steltloper. De roep is scherp, kort en zonder triller, en klinkt duidelijk hoger dan alles wat er verder in een groep bonte strandlopers zit. Wie op wadvogels scant doet er goed aan met de oren te werken: veel gevallen zijn zo gevonden.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een langgerekte strandloper ter grootte van een bonte strandloper maar platter en langer van lijn, met handpennen die duidelijk voorbij de staart steken. De snavel is recht tot licht gebogen, aan de basis van de ondersnavel doforanje tot bruinrood; de poten zijn zwart. Borst en flanken dragen zwarte streepjes die naar achteren toe in pijlpunten overgaan en tot ver op de flanken doorlopen. Boven het oog een lange, duidelijke witte wenkbrauwstreep. Bij gestrekte houding of bij opvliegen valt het vierkante witte vlak over de bovenstaartdekveren op; adulte vogels zijn in augustus grauwer en versleten, juvenielen hebben roodbruine schouderveerzomen en witte mantelstrepen.

Verwarrings­soorten

De eerste stap is de vleugelpunt: bij bonapartes strandloper en bairds strandloper steken de handpennen voorbij de staart, bij bonte strandloper en krombekstrandloper niet. De tweede stap is de stuit. Bonapartes strandloper heeft een strak wit vlak over de bovenstaartdekveren, bairds strandloper een donkere stuit met een smalle witte rand. Krombekstrandloper heeft ook een wit stuitvlak, maar dat is breder en loopt door tot in de flanken, en die vogel is groter, langpotiger en heeft een gelijkmatig gebogen snavel. De snavelbasis is het derde kenmerk: bij bonapartes doforanje aan de ondersnavel, bij bairds volledig zwart. Verder is bonapartes koeler grijs en zwaarder gestreept, met streping die als pijlpunten over de flanken doorloopt, terwijl bairds een egale beige borst heeft die scherp tegen wit eindigt. Bonte strandloper is de vogel waar je hem tussen vindt: die heeft kortere vleugels, een langere en aan het eind neerwaarts gebogen snavel, een donkere middenstuit en een zwaardere, meer gedrongen bouw. De gestreepte strandloper en de siberische strandloper vallen af op de gele tot geelgroene poten en de zwaarder gebouwde, langhalzige indruk.

Leefgebied

Zilter terrein: slikranden en de rand van kwelders, brakke inlaagjes en karrenvelden, ondiepe zoutplassen, en meer dan bij de andere Amerikaanse strandlopers ook het open wad zelf, waar de vogel zich tussen bonte strandlopers voegt. Ook zoetwaterranden en drassig grasland worden gebruikt, maar minder dan bij bairds strandloper. Broedt op natte kusttoendra van Alaska tot Baffineiland en overwintert tot in Vuurland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

De trekroute loopt in de herfst over de westelijke Atlantische Oceaan, en depressies duwen vogels vandaar naar Noordwest-Europa; dat verklaart waarom de soort hier ruim twee keer zo vaak wordt gezien als bairds strandloper. Op de Britse Eilanden en in Ierland is hij jaarlijks en toenemend, met vooral eerstejaars van eind september tot in november, volwassen vogels vanaf juli en enkele in het late voorjaar; langs de Noordzeekust gaat het overwegend om volwassen vogels, met een piek in juli tot september. In het zuiden komen de meeste gevallen van de Canarische Eilanden, vaak in samenhang met orkanen, en minder van het Iberisch schiereiland.

Hoe en wanneer kijken

Werk in augustus en september de groepen bonte strandlopers op het wad en op hoogwatervluchtplaatsen af en let op één vogel die platter en langer oogt met een vleugelpunt voorbij de staart. Laat de groep niet opvliegen voordat je hebt geluisterd; de hoge tsiet verraadt hem eerder dan het oog. Wacht daarna op de opvlucht voor de witte stuit, want dat kenmerk sluit alle verwarring in één beeld af en scheidt hem meteen van de krombekstrandloper, waarvan de witte vlek breder is en op een langpotiger, langsnaveliger vogel zit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd volgens de Rode Lijst, met een grote wereldpopulatie. Het aantal Europese gevallen neemt toe, maar dat weerspiegelt vooral betere dekking en meer waarnemers. In het broedgebied zijn opwarmende toendra en veranderende insectentoppen aandachtspunten, en op de trek de kwaliteit van de estuaria langs de Atlantische kust van Noord- en Zuid-Amerika.

Wetenschappelijke naam

Calidris fuscicollis | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa fuscicollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. fuscicollis verbindt het Latijnse fuscus 'donker, bruin' met -collis '-halzig', dus 'met donkere hals'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.