Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bosruiter
Bosruiter | Tringa glareola
Wood sandpiper | Andarríos bastardo
De bosruiter is een kleine, slanke ruiter van het binnenland: fijn gespikkeld, langpotig en altijd in beweging langs de rand van een ondiepe plas. Ondanks zijn naam heeft hij hier niets met bos te maken; hij broedt in Scandinavische veenmoerassen en doet ons land alleen op doortrek aan.
Geluid
Roept vrijwel altijd bij het opvliegen, en dat is meestal het eerste teken van zijn aanwezigheid: een snel, hoog en licht nasaal tjif-if-if van drie of vier lettergrepen, haastig en opgewekt van toon. In een langgerekte zangvlucht boven het broedmoeras klinkt een jodelend, aanhoudend tliedel-tliedel-tliedel. In Nederland hoor je vrijwel uitsluitend de vluchtroep, van eind april tot in september, en 's nachts ook boven het binnenland van overtrekkende vogels.
Opname: Pascal Christe — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Klein en slank, met een korte rechte snavel, gele tot olijfgele poten en een lange lichte wenkbrauwstreep die duidelijk tot achter het oog doorloopt. De bovendelen zijn bruin met veel opvallende ronde lichte vlekjes, zodat de vogel op korte afstand gespikkeld oogt; de fijn gestreepte borst is scherp begrensd tegen de witte buik. In vlucht vallen de vierkante witte stuit, de fijn gebandeerde staart en vooral de lichtgrijze, niet-contrasterende ondervleugel op, terwijl de poten duidelijk voorbij de staartpunt uitsteken. Juvenielen zijn warmer bruin met okerkleurige spikkels en iets fletsere poten; in het veld levert die leeftijd zelden problemen op.
Verwarringssoorten
Witgat is de belangrijkste verwarringssoort: donkerder en gedrongener, met een korte wenkbrauw die vóór het oog ophoudt, een zwart ogende ondervleugel, een brede zwarte staartband en poten die nauwelijks voorbij de staart komen. Oeverloper is korter van poot, loopt geduikt met wippend achterlijf en toont in vlucht een witte vleugelstreep en een witte wig vóór de vleugelboeg. Juveniele kemphanen kunnen op afstand verwarren, maar zijn groter, hebben een kleiner ogend kopje, een bollere rug en oranjegele poten, en missen de scherpe wenkbrauwstreep.
Leefgebied
Ondiepe zoete wateren met kale of laag begroeide oevers: plas-drasjes in natte graslanden, kleiputten, opgespoten terreinen, zuiveringsvijvers, rijstvelden en visvijvers. Waar het witgat een besloten sloot of greppel kiest, kiest de bosruiter juist een open, modderige rand met vrij uitzicht; zout wad mijdt hij grotendeels. Broedt op de grond in open hoogveen, moerasbos en natte berkenmoerassen van de taiga, soms in een verlaten lijsternest.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Schotland — enkele paren — en Fennoscandinavië oostwaarts door de Russische taiga, met het zwaartepunt in Finland, Zweden en Noord-Rusland. Alle Europese vogels overwinteren ten zuiden van de Sahara; elders alleen doortrek: in Noordwest- en Midden-Europa een korte golf eind april en in mei en een bredere terugtrek van eind juni tot in september, rond de Middellandse Zee talrijk in de rijstvelden van de Ebrodelta en La Albufera en de marismas van Doñana.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop begin mei langs een plas-drasgebied, een vers geïnundeerd perceel of een ondergelopen rijstveld en scan de natte modderrand; bosruiters staan zelden ver in het water maar juist op de overgang. In augustus leveren droogvallende kleiputten, slibdepots en pas ingerichte natuurontwikkelingsterreinen de meeste vogels. Ga vroeg: bij zonsopgang zijn ze rustig, foerageren ze dicht bij de kant en roepen ze bij elke verplaatsing.
Staat van instandhouding
Wereldwijd Niet bedreigd (LC) en met honderdduizenden paren in Fennoscandinavië en Rusland een van de talrijkste steltlopers van de boreale zone. Aan de zuidrand van het areaal — Duitsland, Polen en de Baltische staten — is hij door ontwatering van hoogvenen sterk afgenomen en plaatselijk verdwenen. Voor doortrekkers telt vooral het aanbod van ondiepe, tijdelijke wateren, en dat is met verdroging en strak peilbeheer schaarser geworden.
Wetenschappelijke naam
Tringa glareola | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tringa voerde hij in datzelfde werk in. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. glareola is Latijn, een verkleinwoord bij glarea 'grind', naar de kiezelige oevers waar de vogel zich ophoudt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.




