Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Buffelkopeend

Buffelkopeend | Bucephala albeola

Bufflehead | Porrón albeola

Een dwergeendje van nog geen veertig centimeter, met een kop die veel te groot lijkt voor het lijf. Het mannetje is zwart-wit met een enorme witte driehoek op het achterhoofd en een kop die bij goed licht groen en paars opglanst. In Europa is het een uitgesproken zeldzaamheid, en juist daarom een vogel waar altijd een vraagteken bij hoort.

Buffelkopeend (Bucephala albeola)
Hoofdfoto · Foto: Don Faulkner — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Zwijgzaam, zeker buiten het broedgebied. Baltsende mannetjes geven een laag, rollend tsjrrr en een piepend fluitje; vrouwtjes een hees krek als ze opvliegen. In Europa hoor je in de praktijk niets: de vogels die hier zitten zijn solitair en zwijgen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Het mannetje is fel wit op flanken en borst, met een zwarte rug en een grote, opgeblazen kop die van achter het oog tot in de nek een breed wit vlak draagt; de rest van de kop glanst groen en purper. De snavel is kort en blauwgrijs. Het vrouwtje en de jonge vogel zijn grijsbruin met een donkere kop en één klein, langwerpig wit streepje op de wang, achter het oog. Beide geslachten duiken vrijwel onafgebroken, met een kort sprongetje naar voren, en vliegen laag en snel op met een wit vleugelveld: bij het mannetje bijna de hele arm, bij het vrouwtje een klein wit rechthoekje.

Verwarrings­soorten

Een volwassen man is niet te verwarren. De valkuilen zitten elders. Vrouwtjes en eerstejaars vogels worden geregeld als nonnetje doorgegeven: het nonnetje is groter, heeft een roodbruine kap tot onder het oog en een scherp begrensde witte wang, terwijl de buffelkopeend een egaal donkere kop heeft met één klein wit streepje achter het oog. Ook vrouwtjes brilduiker sneuvelen weleens, maar die zijn fors, hebben een geheel bruine kop en een witte halskraag. Het tweede vraagstuk is de herkomst: de soort wordt in Europese watervogelcollecties gehouden, dus let bij elke vogel op pootringen, versleten of geknipte handpennen, tamheid en gezelschap van andere exoten. Een vrije, schuwe vogel die met brilduikers of kuifeenden meeduikt op groot open water is een heel ander geval dan een eenling op een stadsvijver.

Leefgebied

Ondiep, rustig water: baaien en zeearmen langs de kust, havens, meren, plassen en stuwmeren. Kiest onbegroeid open water waar hij ongestoord kan duiken, meestal niet ver van de oever en vaak vlak bij een dijk of kade. In Europa duiken de vogels op bij lochs, waterbekkens en beschutte kustinhammen, dikwijls in gezelschap van brilduikers, kuifeenden of toppers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt in holten van boomstammen bij bosmeren in Alaska en Canada, en overwintert vrijwel overal in de Verenigde Staten. Naar het kaartgebied komt hij zelden, en dan in de winter: de meeste gevallen liggen op de Britse Eilanden — enkele tientallen, verspreid van Orkney en de Hebriden tot Cornwall — en een enkele aan de Atlantische kust van Noord-Iberië, in Galicië en de baai van Santander; aan de zuidelijke Noordzeekust is de soort niet als wilde vogel vastgesteld. Omdat buffelkopeenden in collecties worden gehouden, gaat een deel van de Europese meldingen terug op ontsnapte vogels, en wegen datum, plaats en gedrag zwaar bij de beoordeling.

Hoe en wanneer kijken

Zoek van november tot april op groot, rustig open water waar al brilduikers zitten: meren en stuwmeren in Noordwest-Europa, beschutte baaien en ria's langs de Atlantische kust. Het formaat helpt: naast een kuifeend oogt hij zeer klein en de grote bolle kop valt op zodra hij bovenkomt. Reken op korte kansen, want hij is minstens de helft van de tijd onder water. Fotografeer zo mogelijk de poten en de vleugel, dan is de vraag naar de herkomst later te beslechten.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie is stabiel tot licht toenemend en de soort geldt als niet bedreigd. Op de lange termijn zijn de knelpunten het verdwijnen van oude holenbomen rond boreale bosmeren, waar de vogel vrijwel volledig afhankelijk is van door spechten gemaakte holten, en verontreiniging en verstoring in de overwinteringsgebieden. Jacht speelt in Noord-Amerika een beperkte rol.

Wetenschappelijke naam

Bucephala albeola | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas albeola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bucephala werd in 1858 ingevoerd door Baird. Bucephala is Grieks, van boukephalos 'stierkoppig', bij bous 'rund' en kephalē 'kop', naar de opvallend dikke kop. albeola is een verkleinvorm van het Latijnse albus 'wit', naar het uitgebreide wit in het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Newfoundland.