Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Gaai
Gaai | Garrulus glandarius
Eurasian jay | Arrendajo euroasiático
De gaai alarmeert luid bij elke verstoring, vaak voordat de vogel zelf te zien is. En hij is de eikenplanter van Europa — één vogel begraaft in een najaar duizenden eikels, waarvan hij er honderden nooit terugvindt.
Geluid
Het bekendste geluid is een hard, scheurend sjrèèk sjrèèk, alsof er linnen wordt gescheurd, dat door het hele bos gaat zodra er een mens, marter of uil in de buurt komt. Daarnaast een zuiver miauwend pjieuw. De gaai is bovendien een geoefend imitator: hij bootst vooral de buizerd na, en verder havik, bosuil, sperwer en soms een katje of een schuurdeur. Wie in een stil bos plotseling een buizerd hoort roepen zonder dat er een roofvogel te zien is, luistert vrijwel altijd naar een gaai. Het hele jaar te horen, het luidst in het najaar tijdens het eikels hamsteren.
Opname: Marie-Lan Taÿ Pamart — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Roze-bruine kraaiachtige van ruim dertig centimeter, met een zwart-wit gestreepte kruin die bij opwinding tot een ruige kuif overeind gaat, een brede zwarte baardstreep en een lichtblauwe iris. Op de vleugelboeg zit het onmiskenbare paneeltje van hemelsblauwe veertjes met fijne zwarte dwarsstreepjes. In de vlucht is het beeld even simpel als betrouwbaar: een opvallend witte stuit tegen een zwarte staart en een grote witte vlek op de vleugel, gedragen door een fladderende, onregelmatige slag. De Iberische vogels zijn grijzer op de rug met een zwaarder gestreepte kruin.
Verwarringssoorten
Weinig, en dat mag je gerust zeggen: geen andere Europese vogel combineert een roze lijf met een blauw vleugelpaneel, een witte stuit en een zwarte staart. Op grote afstand of tegen het licht kan de fladderende vlucht met witte stuit aan een grote bonte specht of een ekster doen denken, maar de specht golft en de ekster heeft een lange staart en groen-blauwe glans. In Zuid-Spanje en Portugal deelt hij het bos met de blauwe ekster, die veel slanker is, met een zwarte kap en een lange blauwe staart.
Leefgebied
Alle soorten bos, met een voorkeur voor loof- en gemengd bos met eiken en beuken, maar ook naaldbos, houtwallen, parken, begraafplaatsen en oude tuinen tot midden in de stad. Broedt laag verstopt in dicht struikgewas of klimop. Eet in het zomerhalfjaar rupsen, kevers en jonge vogels, in het winterhalfjaar vooral eikels, beukennoten en hazelnoten, die hij in de keelzak vervoert en verspreid in de bodem begraaft.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Vrijwel heel Europa met uitzondering van het hoge noorden, en verder Noord-Afrika, Turkije en de Levant. In Noordwest- en Midden-Europa een algemene standvogel die je zowel in oud bos als in een stadspark tegenkomt, met in sommige najaren een opvallende invasie van noordoostelijke vogels wanneer de eikeloogst mislukt. In het Middellandse Zeegebied wijdverbreid in eikenbos, kurkeik, beukenbos en bergdennenbos, tot in de Pyreneeën en de Sierra Nevada; de Iberische ondersoorten zien er grijzer en zwaarder gestreept uit dan de noordelijke vogels.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop eind september of oktober door een eikenbos en volg de vogels die met bolle keel laag over de open plekken vliegen: dat zijn gaaien die eikels naar hun voorraadplekken brengen, en dan zie je er in een uur meer dan de rest van het jaar bij elkaar. Wil je de imitaties horen, ga dan in maart bij zonsopgang zitten en let op elke buizerdroep die niet uit de lucht komt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in Europa stabiel tot licht toenemend; in Nederland is de soort de laatste decennia toegenomen en steeds meer in dorpen en steden gaan broeden. Hij profiteert van vergrijzing van bossen en van de aanplant van eiken — die hij overigens zelf grotendeels verzorgt.
Wetenschappelijke naam
Garrulus glandarius | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Corvus glandarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Garrulus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Garrulus is Latijn voor 'babbelend' of 'luidruchtig', naar het schetterende geluid van de vogel. glandarius is Latijn voor 'van de eikels', naar de eikels die de gaai verzamelt en begraaft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.



