Alle soortenFutenFuten › Geoorde fuut

Geoorde fuut | Podiceps nigricollis

Eared grebe | Zampullín cuellinegro

Een klein, hoogrond fuutje met een steil voorhoofd en een pluizig, opgewipt achterlijf. In broedkleed draagt het een waaier van goudgele oorpluimen die als vonken over de zwarte kop uitstaan.

Geoorde fuut (Podiceps nigricollis)
Hoofdfoto · Foto: Stephan Sprinz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

In kolonies een hoog, klaaglijk en licht stijgend pjiep of oe-iek, vaak in duet en vermengd met een snel trillend gekwetter. Vooral te horen van april tot juni op de broedplaats, in de ochtend en de avond; buiten de kolonie zijn de vogels nagenoeg zwijgzaam.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en donker, met een dunne, licht opgewipte snavel en een hoge, ronde kruin waarvan het hoogste punt vóór het oog ligt. In broedkleed zwarte kop, hals en borst, kastanjebruine flanken, waaiervormige goudgele oorpluimen en een rood oog. In winterkleed vuilgrijs, met een donkere kruin die tot onder het oog doorloopt en een grijzige wang zonder scherpe grens.

Verwarrings­soorten

De kuifduiker is de klassieke verwisseling. De geoorde fuut heeft een fijnere, opgewipte snavel, een steiler voorhoofd met de piek vóór het oog en in winterkleed een grauwe wang met een vuile, onregelmatige begrenzing; de kuifduiker toont een rechte snavel met lichte punt en een scherp afgesneden, helderwitte wang.

Leefgebied

Ondiepe, voedselrijke plassen met veel water- en drijfplanten, vaak in kolonies tussen kokmeeuwen, die bescherming bieden. Buiten de broedtijd op zoute lagunes, zoutpannen, stuwmeren en beschutte kustwateren. Eet vooral insecten en larven van het wateroppervlak en veel minder vis dan de andere futen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Verspreid over Europa, met een grillig en van jaar tot jaar verschuivend broedpatroon; in Noordwest- en Midden-Europa een schaarse broedvogel van laagveenmoerassen en jonge plassen. In het Middellandse Zeegebied broedt hij in de lagunes van Zuid-Iberië en overwintert hij in enorme aantallen in de zoutpannen van de Ebrodelta, de baai van Cádiz en de Mar Menor, en verder rond de hele Middellandse Zee tot in Noord-Afrika en de Levant.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in mei ondiepe plassen met een kokmeeuwenkolonie op en gebruik het strijklicht van de vroege ochtend, want dan lichten de gouden oorpluimen echt op. In augustus en september is het lonend om ruiende groepen op grote wateren te scannen, waar zomer- en winterkleed naast elkaar zwemmen.

Staat van instandhouding

De aantallen schommelen sterk met de waterstand en met het lot van de kokmeeuwenkolonies waarin de soort broedt. Verdroging van laagveen, verlies van drijvende vegetatie en visuitzet drukken op de broedplaatsen, terwijl de belangrijkste overwinterings- en ruigebieden in Zuid-Europa kwetsbaar zijn voor het droogvallen van zoutpannen en lagunes.

Wetenschappelijke naam

Podiceps nigricollis | Brehm, 1831

Brehm beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Podiceps werd in 1787 ingevoerd door Latham. Podiceps is Latijn, van podex, genitief podicis, 'achterste', en pes 'voet', naar de poten die ver naar achteren aan het lichaam staan. nigricollis is Latijn, van niger 'zwart' en collum 'hals', naar de zwarte hals in zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.