Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Goudvink
Goudvink | Pyrrhula pyrrhula
Eurasian bullfinch | Camachuelo común
Op de plaat is de goudvink het roze mannetje met de zwarte pet. In het veld is het een onopvallende vogel, die stil in de struiken werkt en zich verraadt met een zacht, weemoedig fluitje. De naam is misleidend, want goud zit er niet aan.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De roep is het beste kenmerk van de soort: een zacht, laag en weemoedig gefloten djuu, één licht dalende toon die door de struiken heen draagt en het hele jaar te horen is. De zang is nauwelijks een zang te noemen — een aarzelend, krakerig en piepend gemompel op gedempte toon, alleen van dichtbij hoorbaar en vooral in maart en april.
Opname: Jurijs Ješkins — CC BY 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Gedrongen vink met een korte, dikke, zwarte snavel, een zwarte pet die tot onder het oog doorloopt, en een brede, zuiver witte stuit die bij het wegvliegen als een lichtvlek oplicht. Het mannetje heeft een helder roserode borst en wangen boven een blauwgrijze mantel; het vrouwtje is op dezelfde plaatsen grijsbruin. Beide hebben een zwarte staart, zwarte vleugels met één lichtgrijze band en een witte buik. Jonge vogels missen de zwarte pet.
Verwarringssoorten
Volwassen vogels zijn onmiskenbaar, en de witte stuit tegen de zwarte staart beslist het op afstand. Jonge goudvinken, zonder zwarte pet, worden voor jonge kneuen of vrouwtjesvinken aangezien, maar die missen allebei de brede witte stuit en de korte, bolle zwarte snavel. Noordelijke goudvinken, die in invasiejaren opduiken, zijn duidelijk groter en bleker roze en roepen met een trompetterend toontje.
Leefgebied
Bosranden, jonge aanplant, houtwallen, dicht struweel, kwekerijen, grote tuinen en begraafplaatsen; in het gebergte en in het noorden ook oud naaldbos. Foerageert op zaden van es, esdoorn, braam en kruiden, en aan het eind van de winter op knoppen van fruitbomen en sleedoorn.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Vrijwel heel Europa, van Noord-Scandinavië tot Noord-Spanje en de Balkan, en oostwaarts tot in Turkije; in het zuiden alleen in het gebergte. In Noordwest-Europa, van de Britse Eilanden tot de Lage Landen, een gewone maar nooit talrijke broedvogel van bosrand en houtwal, in de winter aangevuld met vogels uit het noordoosten. In Iberië een vogel van de noordelijke helft en de bergen — Pyreneeën, Cantabrisch gebergte, Iberisch en Centraal Systeem — met geïsoleerde kernen in de zuidelijke sierra's, in de winter iets lager.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop in november of december langs een bosrand met veel es en luister in plaats van te kijken: het zachte djuu bereikt je eerder dan de vogel. Blijf dan staan en zoek laag in de struiken, want goudvinken foerageren traag en verplaatsen zich weinig, zodat geduld een goed beeld oplevert. Tegen sneeuw is de witte stuit op honderd meter te zien.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In Noordwest-Europa is de soort in de tweede helft van de twintigste eeuw afgenomen, hoogstwaarschijnlijk door het verdwijnen van struweel, ruigte en dichte bosranden; die afname is inmiddels afgevlakt. De vroegere vervolging in boomgaarden, waar de vogel om het knoppen eten werd gedood, speelt geen rol meer.
Wetenschappelijke naam
Pyrrhula pyrrhula | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia pyrrhula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pyrrhula werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Pyrrhula is het Latijnse woord voor een vuurkleurige vogel die Aristoteles noemt, van het Griekse purrhos 'vuurrood', bij pur 'vuur'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Europa.




