Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Grote pijlstormvogel
Grote pijlstormvogel | Ardenna gravis
Great shearwater | Pardela capirotada
De grote pijlstormvogel is de best getekende van de grote pijlstormvogels: donkere kap, witte halsband, zwarte snavel en een donkere vlek midden op de witte buik. Hij broedt op een handvol eilanden in de zuidelijke Atlantische Oceaan en trekt jaarlijks in miljoenen door de noordelijke Atlantische Oceaan, ook langs West-Europa.
Geluid
Meestal zwijgzaam. Bij voedselconcurrentie op zee, vooral in groepen achter vissersschepen, klinkt een schor, nasaal en ruziënd eh-eh-eh of een grauwend gra-gra. In de kolonies op Tristan da Cunha roepen de vogels 's nachts, maar dat is buiten het gebied van deze gids. Wie hem langs de Nederlandse of Britse kust ziet, hoort hem vrijwel nooit.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets kleiner en compacter dan Kuhls pijlstormvogel, met smallere en stijver gehouden vleugels. De donkerbruine kap loopt tot onder het oog en wordt scherp begrensd door een witte halsband, wat op afstand het beste kenmerk is. De snavel is dun en zwart, niet geel. De bovendelen zijn bruin met lichte veerranden, waardoor de rug geschubd oogt, en boven de staartwortel staat een smalle witte band in de vorm van een hoefijzer. Op de witte buik staat een donkere vlek, en de witte ondervleugel draagt onregelmatige donkere strepen en een donkere okselvlek. De vlucht is sneller en stijver dan die van Kuhls, met korte reeksen krachtige slagen tussen de glijvluchten.
Verwarringssoorten
Kuhls pijlstormvogel mist de kap en de halsband, heeft een gele snavel en een egaal grijsbruine kop die geleidelijk in het wit overgaat. Scopoli's pijlstormvogel eveneens, en beide zijn breder gevleugeld en trager in de vlucht. Grauwe pijlstormvogel is geheel donker. Noordse pijlstormvogel is veel kleiner, zwart-wit en zonder kap, buikvlek of witte stuitband. Een jonge drieteenmeeuw kan bij slecht licht op zeetrek verwarring geven, maar heeft een zwarte nekband, een zwarte staartband en een heel andere, fladderende vlucht.
Leefgebied
Volledig een vogel van de open oceaan, met een voorkeur voor koeler water en voor de rand van het continentaal plat, waar hij zich bij groepen zeevogels aansluit. Hij vangt vis en inktvis vanaf het oppervlak maar duikt ook echt, tot meerdere meters diep, en zwemt daarbij met de vleugels. Rond trawlers verzamelen zich soms honderden vogels die zich op de bijvangst storten en luidruchtig met elkaar vechten. Aan land komt hij in dit gidsgebied niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
De broedplaatsen liggen ver buiten het gebied van deze gids, op Tristan da Cunha, Gough en Nightingale in de zuidelijke Atlantische Oceaan. Vanaf april trekken de vogels met de klok mee de noordelijke Atlantische Oceaan rond: eerst langs Noord-Amerika naar Newfoundland en Groenland, in augustus oostwaarts over de oceaan, en in september tot november zuidwaarts langs Ierland, de Golf van Biskaje en Iberië. Daarmee is hij hier geen dwaalgast maar een echte doortrekker. Voor Zuidwest-Ierland en de Cantabrische en Galicische kust passeren op een goede dag honderden vogels; in de Middellandse Zee is hij zeldzaam en op de zuidelijke Noordzee blijft het bij enkele waarnemingen per najaar, vrijwel altijd bij aanhoudende noordwestenwind.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Wie de soort met zekerheid wil zien, gaat naar de zuidwestpunt van Ierland of naar de Golf van Biskaje: Estaca de Bares in Galicië van eind augustus tot oktober bij noordwestenwind en ruwe zee, of de veerboot naar Bilbao of Santander in september, die de Golf rond de middag oversteekt en vaak tientallen tot honderden vogels boven het diepe water oplevert. Aan de Noordzee kies je een zeetrekpost op de tweede of derde dag van een westerstorm tussen eind augustus en half oktober; de kans is klein maar reëel, en let vooral op het contrast tussen donkere kap en witte hals.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een bevolking van vele miljoenen paren die vrijwel geheel op drie eilandengroepen broedt. Juist die concentratie maakt de soort kwetsbaar: een enkele ingevoerde muizen- of rattenbevolking of een olieramp bij Tristan da Cunha zou een groot deel van het geheel raken. Daarnaast spelen bijvangst in de visserij, het inslikken van plastic en het traditionele, tegenwoordig gereguleerde oogsten van jongen op de eilanden een rol.
Wetenschappelijke naam
Ardenna gravis | (O'Reilly, 1818) (GBIF: Puffinus gravis)
O'Reilly beschreef de soort in 1818 als Procellaria gravis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardenna werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Ardenna gaat terug op Artenna, de spelling die de Italiaanse natuuronderzoeker Ulisse Aldrovandi in 1603 voor een zeevogel gebruikte en die Reichenbach bij de naamgeving aanhaalde. gravis is Latijn voor 'zwaar' of 'gewichtig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap Farvel op Groenland.

