Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Grote zee-eend

Grote zee-eend | Melanitta fusca

Velvet scoter | Negrón especulado

De zwaarste zee-eend, log gebouwd en met een lang wigvormig kopprofiel, dobberend in donkere troepen op zee. Zodra een vogel de vleugels opent flitst een wit vleugelveld op, en dat beslist de determinatie op grote afstand.

Grote zee-eend (Melanitta fusca)
Hoofdfoto · Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Buiten de broedtijd meestal zwijgzaam. In balts fluit de man een zacht, klaaglijk en opwaarts pjuu-i, terwijl het vrouwtje een hees, krassend brèh-brèh geeft. Op zee hoor je hooguit het geruis van vleugels van laag overvliegende groepen; de baltsgeluiden zijn vooral iets voor maart en april.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Grote, zware eend met een lang, wigvormig kop-snavelprofiel en een steil voorhoofd. De man is fluweelzwart met een klein wit haakje onder en achter het oog, oranjerode poten en een gele snavelzijde met een zwarte knobbel aan de basis. Het vrouwtje is donker roetbruin met twee vale vlekken op de wang. Beide tonen een wit armpenveld, ook bij zwemmende vogels die even wieken.

Verwarrings­soorten

De zwarte zee-eend is de tegenspeler. Het witte armpenveld van de grote zee-eend is doorslaggevend, maar blijft bij zwemmende vogels vaak verborgen: wacht tot de vogel opvliegt of zich uitrekt. Verder is de grote zee-eend forser en hoekiger van kop, en toont het vrouwtje twee losse vale wangvlekken in plaats van een egaal bleke wang.

Leefgebied

Overwintert op ondiepe kustzee boven zand- en schelpdierbanken, meestal iets verder uit de kust en in dieper water dan de zwarte zee-eend. Broedt aan boreale meren, in de berkenzone en op eilandjes in de Oostzee. Duikt naar mosselen, krabben en andere bodemdieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Fennoscandië, de Oostzee en Noordwest-Siberië, met een aparte kleine populatie in de Kaukasus. Overwintert vooral in de Oostzee en verspreid in de Noordzee; langs de kusten van Noordwest-Europa — de Hollandse kust, de Waddeneilanden — een schaarse wintergast, meestal tussen zwarte zee-eenden. Landinwaarts in Midden-Europa duikt af en toe een enkele vogel op meren en rivieren op; aan de Atlantische noordkust van Iberië is de soort een echte zeldzaamheid.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Tel zeetrek vanaf een kaap of pier aan de Noordzee in november en december, bij voorkeur met een stevige noordwestenwind en in de eerste uren na zonsopkomst. Bij vlak, windstil weer loont het juist om met de telescoop de rustende troepen op zee af te zoeken en te wachten tot vogels hun vleugels strekken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd als kwetsbaar beoordeeld na een sterke afname van de overwinterende Oostzeepopulatie. Bijvangst in staande netten, olievervuiling, achteruitgang van schelpdierbanken en predatie van nesten door nertsen en meeuwen wegen het zwaarst. Verstoring door scheepvaart en bouw op zee speelt in de winterkwartieren mee.

Wetenschappelijke naam

Melanitta fusca | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas fusca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melanitta werd in 1822 ingevoerd door Boie. Melanitta is Grieks, van melas 'zwart' en netta 'eend'. fusca is Latijn voor 'donker' of 'zwartbruin'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Zweedse kust.