Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Indische gans

Indische gans | Anser indicus

Bar-headed goose | Ánsar indio

Een hooglandgans uit Centraal-Azië die op trek de Himalaya oversteekt, in Europa uitsluitend als verwilderde vogel te zien. De twee zwarte dwarsbanden op de witte kop maken haar onmiskenbaar.

Indische gans (Anser indicus)
Hoofdfoto · Foto: Horst J. Meuter — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een helder, laag en nasaal geblaat, aang-aang, minder rauw dan de roep van de grauwe gans. In vlucht een herhaald tweelettergrepig hong-ha. Bij verwilderde vogels het hele jaar te horen, het meest bij vluchten tussen slaapplaats en weiland in de ochtend en avond.

Luister: Nasaal gakken van een invallende groepWikimedia Commons

Opname: Akasmita — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Bleekgrijze gans met een sneeuwwitte kop en hals, waarop twee zwarte hoefijzervormige banden over het achterhoofd lopen. Een witte streep loopt langs de zijhals omlaag naar de schouder. Snavel en poten zijn geel tot oranje, de nagel zwart. Jonge vogels missen de banden, hebben een grijze kruin en een donkere snavelbasis, maar blijven even bleek.

Verwarrings­soorten

Geen enkele Europese gans lijkt op de volwassen vogel. Jonge vogels doen door hun bleke kleed even denken aan een jonge sneeuwgans of aan een tamme gans; let dan op de grijze kruin, de gele snavel zonder grijnslijn en de bleke, contrastarme vleugels. Hybriden met grauwe gans komen voor en zijn bedrieglijk.

Leefgebied

In Europa op grasland en akkers bij plassen en rivieren, vrijwel altijd in gezelschap van grauwe en brandganzen, en ook op stadsvijvers en in parken. In het oorspronkelijke areaal broedt de soort in kolonies bij hooggelegen bergmeren op de Tibetaanse Hoogvlakte, ver boven de boomgrens.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Wild broedt de soort in Centraal-Azië, van Kirgizië en Mongolië tot Tibet, en overwintert op het Indiase subcontinent, waarbij ze de Himalaya op grote hoogte oversteekt. Alle vogels in het kaartgebied zijn ontsnapt of hier geboren uit ontsnapte vogels; kleine broedende groepjes zitten in de Lage Landen, Duitsland en Zweden. In het Middellandse Zeegebied gaat het uitsluitend om losse ontsnapte exemplaren.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het hele jaar mogelijk, maar het gemakkelijkst van juni tot september op ruiplekken langs de grote rivieren en op de meren en riviervlakten van de Lage Landen en Noord-Duitsland, overal waar veel grauwe ganzen zitten. Scan gemengde ganzentroepen op een opvallend bleke vogel; zodra ze de kop optilt is de zaak beslist.

Staat van instandhouding

In het oorspronkelijke areaal is de soort talrijk en in grote lijnen stabiel, al vormen vogelgriep, verstoring bij de broedkolonies en onttrekking van water aan hooglandmeren lokale bedreigingen. De Europese verwilderde populatie blijft klein maar houdt stand; hybridisatie met grauwe gans is het voornaamste bezwaar tegen haar aanwezigheid.

Wetenschappelijke naam

Anser indicus | (Latham, 1790)

Latham beschreef de soort in 1790 als Anas indica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Anser is het Latijnse woord voor 'gans'. indicus is Latijn voor 'Indisch', naar de winterkwartieren van de soort op het Indiase subcontinent. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India en Tibet.