Alle soorten › Trapachtigen › Trappen › Kleine trap
Kleine trap | Tetrax tetrax
Little bustard | Sisón común
Een trap ter grootte van een fazant, met de bouw van een kleine gans en de zenuwen van een patrijs. Buiten de baltstijd is het een zandkleurige vlek die pas opvalt als hij opvliegt; in april verraadt de man zich al van ver door zijn droge, snuivende roep en door het snorrende geluid van zijn vleugels.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De man baltst vanaf een kaalgetrapt plekje in het gewas. Hij richt zich op, blaast de zwart-witte hals bol, gooit de kop achterover en stoot om de tien tot twintig seconden een kort, droog, snuivend prrt uit, alsof iemand door de lippen blaast. Daarop volgt vaak een sprong van ruim een meter met een korte roffel van vleugelslagen die een fluitend sisisisi maakt. In vlucht produceren de versmalde buitenste handpennen van de man een aanhoudend, snorrend gefluit dat op stille ochtenden verder draagt dan de roep zelf; het is vaak het eerste wat je van de soort merkt.
Opname: Benoît Van Hecke — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
De man in broedkleed heeft een leigrijze kop en een zwarte hals met twee scherpe witte banden: de bovenste als een smalle V onder de keel, de onderste als een brede kraag. Rug en vleugeldekveren zijn okerbruin met fijne zwarte vermiculatie, de onderdelen zuiver wit. Vrouwtjes en winterse mannen missen het halspatroon en zijn geheel okerbruin gestreept en gevlekt, met een fijn gestreepte hals. In vlucht oogt de vleugel opvallend wit met alleen zwarte handpentoppen; de vogel vliegt snel en laag met stijve, ondiepe slagen.
Verwarringssoorten
Op de grond lijkt een vrouw of jonge vogel op een grote hen fazant of zelfs op een patrijs, maar de hals is langer, de kop kleiner en ronder en de poten hoog en geel. In vlucht is de bijna geheel witte vleugel doorslaggevend: geen enkele hoenderachtige toont dat. De grote trap is vier keer zo zwaar en heeft een zwarte achterrand aan de vleugel.
Leefgebied
Extensief graanland met veel braak, luzerne, wikke en esparcette, en droge steppegraslanden met een lage, open structuur. De man kiest een baltsplek met korte vegetatie en overzicht; de vrouw broedt in hogere begroeiing enkele honderden meters verderop. Buiten het broedseizoen vormen de vogels groepen op stoppels en groenbemesters.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Iberië en Zuid-Frankrijk oostwaarts tot Kazachstan; in Europa verdwenen uit Hongarije, Duitsland en vrijwel heel Italië. Het zwaartepunt ligt in Iberië — Castilië-La Mancha, Madrid en Extremadura, met kleinere kernen in Castilië en León, Andalusië, de droge akkers van Lleida en het Ebrodal tussen Belchite en de Monegros — maar de afname is sterk: van zo'n 127.000 vogels in 2005 tot zo'n 53.000 in 2016, met een steeds schevere geslachtsverhouding naar mannetjes. In Noordwest-Europa een zeer zeldzame dwaalgast, meestal in de late herfst en winter op kustakkers, en bij elk geval speelt de vraag of het om een wilde vogel gaat of om een vogel die teruggaat op uitgezette of ontsnapte exemplaren.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De Crau bij Saint-Martin-de-Crau in de Provence, de droge akkers van Lleida of de omgeving van Belchite in het Ebrodal: van half april tot in mei roepen de mannen over de stenige vlakte en de graanvelden, goed hoorbaar vanaf de openbare wegen. Wees er voor zonsopgang, want na een uur of twee stopt het roepen en zie je alleen nog opvliegende vogels. Zoek het mannetje eerst op het snuivende roepje en dan met de telescoop op de witte halsvlek: de sprong herhaalt zich om de paar minuten en duurt nog geen twee seconden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd gevoelig en in de westelijke populatie sterk afnemend. De hoofdoorzaak is de intensivering van de akkerbouw: verlies van braak en voedergewassen, schaalvergroting, irrigatie en insecticiden die het kuikenvoedsel wegnemen. In Frankrijk wordt een deel van de populatie alleen met beheerovereenkomsten en bijplaatsing overeind gehouden; die vogels gaan plaatselijk terug op uitgezette vogels.
Wetenschappelijke naam
Tetrax tetrax | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Otis tetrax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tetrax werd in 1817 ingevoerd door Forster. Tetrax is het Latijnse tetrax, de naam van een niet nader te bepalen hoendervogel. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.


