Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Kuhls pijlstormvogel
Kuhls pijlstormvogel | Calonectris borealis
Cory's shearwater | Pardela cenicienta atlántica
Kuhls pijlstormvogel is de zwaarste pijlstormvogel van het Atlantische deel van het gidsgebied: een brede, traag zeilende zeevogel die op stijve, licht gebogen vleugels van golfdal naar golfdal glijdt. Hij broedt met honderdduizenden paren op de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden en is buiten de kolonies vrijwel alleen op open zee te zien.
Geluid
Op zee vrijwel zwijgzaam. In de kolonie is hij 's nachts luidruchtig met een nasaal, klagend en driedelig aa-oe-ah dat vaak met een snik eindigt en van veraf op een huilend kind lijkt. Mannetjes klinken hoger en nasaler, vrouwtjes schorer en lager, zodat je bij een bezette holte vaak twee vogels tegen elkaar hoort. De roep is het luidst tussen mei en augustus, van kort na zonsondergang tot diep in de nacht.
Opname: Blue Label — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Groot en zwaar gebouwd, met brede vleugels die in de zweefvlucht licht naar voren gebogen worden gehouden en aan de pols een flauwe knik vertonen. Kop en bovendelen zijn grijsbruin en lopen zonder scherpe grens over in het witte onderlichaam: er is dus geen zwarte kap en geen witte halsband. De snavel is stevig en geel met een donkere band vlak voor de punt, van dichtbij het opvallendste kenmerk. De ondervleugel is wit met een brede donkere achterrand, een donkere voorrand en een geheel donkere hand; er loopt geen lichte wig de buitenste slagpennen in. Boven de staartwortel staat hooguit een smalle, vage lichte zoom. De vlucht is loom en zeilend, met lange bogen op een enkele diepe vleugelslag.
Verwarringssoorten
Scopoli's pijlstormvogel is nauwelijks kleiner maar fijner gebouwd, met een slankere snavel, en heeft op de ondervleugel een lichte wig die de basis van de buitenste slagpennen binnendringt; dat wigje is het enige betrouwbare kenmerk en vraagt zicht van onderen bij goed licht. De grote pijlstormvogel heeft een scherp afgezette donkere kap, een witte halsband, een dunne zwarte snavel, een donkere buikvlek en een witte band boven de staart. Grauwe pijlstormvogel is geheel donkerbruin met een zilverige streep midden op de ondervleugel. Jan-van-gent is groter, aan beide uiteinden spits en heeft in een verder wit kleed zwarte vleugelpunten.
Leefgebied
Buiten de broedtijd volledig een vogel van de open oceaan, met een voorkeur voor de rand van het continentaal plat en voor plekken waar stroming voedsel naar de oppervlakte brengt. Hij pikt inktvis en kleine vis van het water, duikt ondiep vanuit een lage scheervlucht en sluit zich graag aan bij jagende tonijnen en dolfijnen of bij vissersschepen die bijvangst overboord zetten. Broedt in holen, rotsspleten en onder blokken op eilanden en steile rotskusten, en is daar alleen 's nachts actief.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de Azoren, Madeira, de Selvagens, de Canarische Eilanden en de Berlengas, met kleinere kolonies langs de Atlantische kust van Marokko. Op de Canarische Eilanden zit een van de grootste populaties ter wereld, onder meer op Alegranza, Montaña Clara, de Roques de Salmor, Tenerife, La Gomera en La Palma. Na de broedtijd trekt vrijwel de hele bevolking naar de zuidelijke Atlantische Oceaan, waar de vogels tot eind februari voor Brazilië en zuidelijk Afrika verblijven. Van augustus tot november is de soort in aantal te zien langs de hele Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland, met opvallende concentraties voor Galicië en in de Golf van Biskaje, en in grote getale door de Straat van Gibraltar. Voor Groot-Brittannië en Ierland is hij een schaarse maar jaarlijkse zeevogel van juli tot oktober, het talrijkst bij de zuidwestelijke toegangen. Voor de Nederlandse kust en in de Noordzee is hij zeldzamer en verschijnt hij vooral bij aanhoudende westenstorm, met enkele tot enkele tientallen vogels per najaar.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Voor een Noordzeewaarneming ga je tussen half augustus en begin oktober zeetrekken bij Westkapelle, Camperduin of Scheveningen, met windkracht 6 of meer uit het westen tot noordwesten; de eerste drie uur na zonsopgang leveren het meeste op. Vanaf het Iberisch vasteland is Estaca de Bares in augustus en september de beste post, met wind uit het noordwesten en vroeg in de ochtend; ook Cabo Vilán en, zuidelijker, Tarifa en Punta Carnero werken tijdens de najaarstrek. Wie de soort dichtbij en zonder twijfel wil zien, neemt tussen juli en september een boottocht bij La Gomera, Tenerife of de Azoren: de vogels komen dan tot op enkele meters achter de boot en de gele snavel met de donkere band is dan goed te zien. Bij zonsondergang in juni en juli verzamelen zich voor de Canarische kolonies bovendien groepen van honderden vogels voordat ze aan land gaan.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een bevolking van enkele honderdduizenden paren die grotendeels op een handvol eilandengroepen zit. Toch staan veel kolonies onder druk: ingevoerde katten en ratten pakken eieren en jongen, vogels verdrinken aan de haken van de beugvisserij, en jonge vogels raken bij hun eerste vlucht gedesoriënteerd door straat- en havenverlichting en belanden op wegen en in dorpen. Op de Canarische Eilanden worden daarom elk najaar duizenden gestrande jongen opgeraapt en weer op zee vrijgelaten.
Wetenschappelijke naam
Calonectris borealis | (Cory, 1881) (GBIF: Calonectris diomedea)
Cory beschreef de soort in 1881 als Puffinus borealis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calonectris werd in 1915 ingevoerd door Mathews & Iredale. Calonectris verbindt het Oudgriekse kalos 'goed, edel' met de geslachtsnaam Nectris, die de Duitse natuuronderzoeker Heinrich Kuhl in 1820 voor pijlstormvogels gebruikte. borealis is Latijn voor 'noordelijk'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit voor de kust van Chatham in Massachusetts.


