Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Oosterse tortel
Oosterse tortel | Streptopelia orientalis
Oriental turtle-dove | Tórtola oriental
Een zware, donkere tortel uit Azië die in Europa zelden en meestal alleen opduikt, vaak in de winter bij een voertafel of in een dorpstuin. Wie hem vindt, heeft een vogel die duizenden kilometers uit koers is.
Geluid
Een diepe, viertellige koer, doe-doe doeroe-doeroe, lager en holler dan het spinnen van de zomertortel en zonder het snorrende timbre. Dwaalgasten zwijgen bijna altijd; reken er niet op dat je de vogel op geluid vindt.
Opname: boppochan — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Fors, ongeveer zo groot als een turkse tortel maar zwaarder gebouwd, met een langere staart en tragere, diepere vleugelslag. De bovenvleugel is geschubd: donkere veercentra met roestbruine tot doforanje randen. De kop is grijsroze, de onderdelen zijn dofroze tot grijzig. Op de zijhals zit een breed, gestreept vlekkenveld. De donkere staart heeft een lichte eindzoom en de onderstaartdekveren zijn donkergrijs.
Verwarringssoorten
De zomertortel is de enige echte verwarringssoort. Bij de zomertortel is het halsvlekje smal en scherp zwart-wit gestreept; bij de oosterse tortel is het breder en doffer, met zwart-grijze strepen. De zomertortel heeft witte onderstaartdekveren, de oosterse tortel donkergrijze. Het staartuiteinde is bij de zomertortel wit en scherp begrensd, bij de oosterse tortel grijs en vager. Let ook op de ondersoort: orientalis uit Siberië en Japan is donker, koel bruingrijs met een grijs staarteinde, terwijl meena uit de Himalaya en Centraal-Azië bleker en zandiger is, met een witter staarteinde en een lichtere buik. Juist meena lijkt daardoor het meest op een zomertortel, en die vorm is bovendien de vorm die het vaakst in Europa opduikt.
Leefgebied
In het broedgebied naald- en gemengd bos, bosranden, boomgaarden en beboste dalen. Europese dwaalgasten zitten in dorpstuinen bij voertafels, in heggen en houtwallen, op geoogste akkers met gemorst graan en in kustruigte en struweel op eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de Oeral oostwaarts door Siberië tot Japan en zuidwaarts tot de Himalaya. De noordelijke vogels trekken naar Zuidoost-Azië. De Europese gevallen komen vooral uit Groot-Brittannië en Scandinavië, met in Groot-Brittannië een lange reeks vogels bij winterse voederplekken; Nederland kent er maar een handvol, en in Spanje is de soort vrijwel onbekend — vooral omdat donker gekleurde turkse tortels en ontsnapte tamme tortels daar voor valse meldingen zorgen.
Hoe en wanneer kijken
November tot maart, in tuinen en op erven waar graan of zaad ligt. Loop groepen turkse tortels langs en let op één vogel die donkerder en zwaarder oogt en langer op de grond blijft. Fotografeer de zijhals, de gespreide staart en de onderstaartdekveren; zonder die drie kom je er bij de commissie niet doorheen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd algemeen en niet bedreigd, al lopen de aantallen in delen van Oost-Azië terug door jacht en bosbouw. Voor Europa gaat het niet om bescherming maar om herkenning: het is een van de soorten waarbij een slechte foto het verschil maakt tussen wel of niet aanvaard.
Wetenschappelijke naam
Streptopelia orientalis | (Latham, 1790)
Latham beschreef de soort in 1790 als Columba orientalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Streptopelia werd in 1855 ingevoerd door Bonaparte. Streptopelia is Grieks, van streptos 'halsband, gedraaide ketting' en peleia 'duif', naar de donkere halsband van deze tortels. orientalis is Latijn voor 'oostelijk', naar de typelocatie in China. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit China.




