Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Roodborsttapuit
Roodborsttapuit | Saxicola rubicola
European stonechat | Tarabilla europea
Van alle kleine vogels van heide en duin is de roodborsttapuit de makkelijkste, want hij zit altijd bovenop: op de top van een struikje, op een prikkeldraad, op een pol pijpenstrootje, kaarsrecht en met de staart wippend. En hij verraadt zich meteen, want zodra je in zijn territorium staat tikt hij onvermoeibaar tsak-tsak. Hij is bovendien een van de weinige vogels van heide en duin waarmee het in Nederland en Groot-Brittannië de laatste dertig jaar juist beter gaat; in Spanje is hij het hele jaar door aanwezig in vrijwel het hele land en een van de eerste vogels die je leert kennen.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De roep verklaart de naam van de hele groep: een hard, droog tsak of tsak-tsak, alsof twee kiezels tegen elkaar worden getikt, bijna altijd voorafgegaan door een dun, klaaglijk hwiet, samen hwiet-tsak-tsak. Zolang je in het territorium staat houdt hij daar niet mee op, en dat is meestal de eerste aanwijzing dat hij er zit. De zang is een korte, haastige, wat krassende strofe van een of twee seconden, in tempo en toon verwant aan die van de heggenmus, gebracht vanaf de top van een struik of in een klein, fladderend zangvluchtje. Te horen vanaf half februari tot in juli, met de meeste zang in maart en april.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · xeno-canto
Herkenning
Klein, bolrond en grootkoppig, met een korte staart en korte vleugels, en met een houding die altijd rechtop is. Het mannetje in zomerkleed heeft een geheel zwarte kop en keel zonder enige wenkbrauwstreep, en daarachter aan weerszijden van de hals een brede witte halve halsband die op de rug niet doorloopt. De mantel is zwartbruin en gestreept, op de vleugel staat een opvallende witte vlek, de borst is oranjerood en vervaagt naar de buik toe tot vuilwit. De stuit is beigewit met donkere strepen — een vaag lichtvlekje, nooit een groot schoon wit veld. De staart is geheel donker, zonder wit. Het vrouwtje is dezelfde vogel in het bruin: de kop donker maar niet zwart, met een lichte keel, de halsband vager, de borst warm oranje. Najaarsvogels en jongen zijn overal warm beige gezoomd en hebben een bruine kop met een lichte keel; de donkere staart zonder wit en de gestreepte stuit blijven dan het houvast.
Verwarringssoorten
Alles draait om het paapje — zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant is beschreven. Het paapje heeft in élk kleed een brede, roomwitte wenkbrauwstreep die tot achter het oog doorloopt en de donkere wang tot een masker maakt; de roodborsttapuit heeft die streep nooit, ook het vrouwtje niet. Laat de vogel opvliegen en kijk naar de staart: bij het paapje zit aan weerszijden van de staartbasis een wit vlekje, bij de roodborsttapuit is de staart egaal donker. Het paapje oogt bovendien slanker, langvleugeliger en korter van staart, en zit vaker op kruiden dan op struikjes. Kijk ten slotte naar de kalender en de plek: in Nederland en Groot-Brittannië is een tapuitachtig vogeltje in vochtig hooiland in mei eerder een paapje, en een op de winterse heide altijd een roodborsttapuit, want het paapje zit dan in Afrika; in Spanje is het net zo duidelijk, want daar is de roodborsttapuit het hele jaar aanwezig, terwijl het paapje alleen in april-mei en van augustus tot oktober doortrekt. De Aziatische roodborsttapuit maakt er in het najaar een drietal van: bleker, met een grote ongestreepte roomwitte stuit, veel witter op buik en flanken en met zwarte okselveren — ook hij heeft een eigen pagina. Verder: de roodborst blijft in de ondergroei, mist het wit op de vleugel en heeft lange dunne poten; de tapuit is groter en langbeniger en toont in vlucht een breed wit stuitvlak met een zwarte omgekeerde T in de staart.
Leefgebied
Open, laag en droog terrein met struikjes om op te zitten en een dichte kruidlaag om in te nestelen: droge en vochtige heide met gagel, brem en dopheide, duinstruweel en duinvalleien, jonge bosaanplant en kapvlaktes, ruige weg- en spoorbermen, dijken, kwelderranden en verwilderde akkerranden. Het nest ligt op de grond onder een pol, altijd binnen een paar meter van een uitkijkpost. Waar de bermen jaarlijks kort worden gemaaid verdwijnt hij; waar gefaseerd of laat wordt gemaaid keert hij terug.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Ierland en Groot-Brittannië oostwaarts tot Oekraïne en Turkije en zuidwaarts tot Noordwest-Afrika; de noordelijke vogels trekken naar Zuidwest-Europa en de Maghreb, de zuidelijke blijven zitten. Groot-Brittannië en Ierland herbergen naar schatting 65.000 paren, geconcentreerd in het westelijke en zuidelijke heuvel- en bergland, op kustheide en in toenemende mate ook op laaglandheide en jonge aanplant in het binnenland. In Nederland stortte de stand rond 1975 in, maar heeft de soort zich sterk hersteld: in 2018–2020 ging het om 18.000 tot 22.000 paren, met de zwaartepunten op de hoge zandgronden, langs de hele kuststrook inclusief de Waddeneilanden en in Zeeuws-Vlaanderen; in de winter blijven er enkele honderden tot duizend vogels hangen, vooral in de duinen en de Delta. In Spanje is hij verspreid over vrijwel het hele schiereiland en de Balearen, algemeen maar nooit talrijk, van zeeniveau tot bijna tweeduizend meter, en in de winter komen er Midden-Europese vogels bij die de open campiña's en rivierlanden bezetten.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop eind maart of begin april bij zonnig, windstil weer een heideveld, een duinvallei of een mozaïek van akkers met heggen af en kijk naar de toppen van de struikjes en naar het prikkeldraad. Het mannetje zit dan uren achtereen op dezelfde paar posten, in vol zomerkleed, en laat je vaak tot op tien meter naderen. Hoor je het tikken maar zie je niets, blijf dan staan: hij komt vanzelf naar boven om te kijken wie er in zijn territorium loopt. In de winter is de kans in Noordwest-Europa het grootst in de zeereep en langs kwelders, waar een enkel paartje het hele seizoen op dezelfde struik blijft; in Spanje is het dan juist eenvoudiger, want de vogel bezet vrijwel elk braakliggend stuk, elke bermsloot of verwaarloosde boomgaard.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, en in Nederland een van de weinige heide- en duinvogels die toenemen: sinds 1990 is het aantal broedparen meer dan verdubbeld en de toename houdt tot op heden aan, zodat de soort niet op de Rode Lijst staat. De winst komt van extensiever bermbeheer, van het terugdringen van bosopslag in heide- en duingebieden en van een reeks zachte winters — de vogel trekt kort of niet, en een strenge winter kost hem meteen een deel van zijn bestand. De blijvende risico's zijn klein maar reëel: het kort en gelijktijdig maaien van bermen midden in het broedseizoen, het opruimen van ruigte langs akkers en sloten, en het volledig dichtgroeien van heide waar niet wordt beheerd.
Wetenschappelijke naam
Saxicola rubicola | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als [Motacilla] rubicola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Saxicola werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Saxicola is Latijn, van saxum 'steen, rots' en -cola 'bewoner', bij colere 'bewonen': 'rotsbewoner', naar de open steenachtige terreinen waar deze vogels zich ophouden. rubicola is Latijn, van rubus 'braamstruik' en incola 'bewoner': 'bewoner van het braamstruweel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Seine-Maritime in Normandië.




