Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen en sterns › Sierlijke stern

Sierlijke stern | Thalasseus elegans

Elegant tern | Charrán elegante

Een stern van de Amerikaanse Pacifische kust die in Europa geen losse dwaalgast is gebleven. In de Ebrodelta heeft jarenlang een sierlijke stern met een grote stern gebroed, en de gemengde nakomelingen lopen daar nog altijd rond.

Sierlijke stern (Thalasseus elegans)
Foto: velodrome — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schor, rollend kerrièk, langer aangehouden, nasaler en duidelijker oplopend dan de roep van de grote stern. In een gemengde kolonie is dat vaak het eerste dat opvalt, nog voordat de oranje snavel in beeld komt. Roepende vogels boven een plaat zijn de beste kans om er een tussen honderden grote sterns uit te pikken.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Tussen grote stern en koningsstern in formaat, maar veel slanker en langer ogend. De snavel is lang, dun, gelijkmatig taps en buigt aan het eind licht naar beneden; hij is oranje aan de basis en geler naar de punt. De zwarte kuif is lang en piekt tot ver in de nek. Bovendelen lichtgrijs, onderdelen wit met in de broedtijd een roze waas; buiten de broedtijd wordt het voorhoofd wit maar blijft het oog binnen het zwart liggen.

Verwarrings­soorten

Drie vergelijkingen. Tegenover de koningsstern: die is groter en zwaarder, met een dikke, rechte oranjerode snavel, een blokkiger kop en buiten de broedtijd een breed wit voorhoofd waarin het oog vrij komt te liggen, en met duidelijk donkere buitenste handpennen op de ondervleugel. De sierlijke stern is kleiner en ranker, houdt het oog ook in winterkleed binnen het zwart, heeft die lange dunne naar beneden gebogen snavel en een vrijwel geheel witte ondervleugel met alleen een smalle donkere achterrand. Tegenover de grote stern: daar zit het verschil in de zwarte snavel met gele punt, korter en rechter, en in de kortere kuif. Het echte probleem zijn de hybriden grote stern × sierlijke stern, die in de Ebrodelta en in Zuid-Frankrijk daadwerkelijk voorkomen: die zitten er precies tussenin, met een doffe oranje snavel met donkere vegen of een vuilgele snavel, een kuif van middellange lengte en een mantel van tussenliggende tint. Zulke vogels zijn op één foto niet te plaatsen; ze vragen om terugkeer in opeenvolgende seizoenen, en in verschillende gevallen heeft pas genetisch onderzoek een zuivere sierlijke stern van een hybride gescheiden.

Leefgebied

Zoutpannen, ondiepe kustlagunes, zandplaten en schelpenstranden in delta's, en de ondiepe zee daarvoor. In Amerika broedt de soort op kale, hete eilandjes in de Golf van Californië en in aangelegde zoutbekkens; in Europa gaat het om vogels binnen of vlak bij kolonies van grote sterns, en om rustende vogels op platen en strandhaken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Vrijwel de hele wereldpopulatie broedt op Isla Rasa in de Golf van Californië, met kleinere kolonies in Neder-Californië en Zuid-Californië; de winter wordt doorgebracht langs de Pacifische kust tot in Chili. In Europa liggen de gevallen sterk geconcentreerd in Iberië en Frankrijk, met de Ebrodelta als vast punt: er zijn vogels aanwezig bij de kolonie van Punta de la Banya in tal van voorjaren, en er zijn ook waarnemingen in de Camargue en op de Banc d'Arguin. Noordelijker zijn er losse waarnemingen in onder meer Ierland, Groot-Brittannië, Nederland en België.

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is de Ebrodelta, waar de vogels de meeste voorjaren bij de kolonie van Punta de la Banya te verwachten zijn tussen mei en juli; scan de kolonie daar met telescoop en op de afstand die de reservaatregels voorschrijven. Zoek niet naar oranje, want dat springt bij zijlicht ook bij een natte snavel op; let op een profiel dat te lang en te dun is en dat aan het eind hangt. Vind je een kandidaat, fotografeer dan snavelprofiel, kuif en, als de vogel opvliegt, de ondervleugel, en noteer of hij geringd is, want een deel van de deltavogels is gemerkt en juist die individuele geschiedenis is bepalend voor sierlijke stern of hybride. Dichter bij huis: werk in juni en juli groepen grote sterns langs de Deltakust, de Waddenplaten of Britse en Ierse kustreservaten na.

Staat van instandhouding

Gevoelig, en dat komt door de ruimte, niet door de aantallen: veruit het grootste deel van de wereldpopulatie broedt op één enkel eiland. Een misoogst aan sardines en ansjovis in een warm zeejaar kan een heel broedseizoen kosten, en verstoring of een ingevoerd roofdier op Isla Rasa zou de soort in één klap raken. Het eiland is inmiddels beschermd en het uitroeien van ratten en muizen heeft daar geholpen.

Wetenschappelijke naam

Thalasseus elegans | (Gambel, 1849)

Gambel beschreef de soort in 1849 als Sterna elegans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thalasseus werd in 1822 ingevoerd door Boie. Thalasseus is afgeleid van het Oudgriekse thalassa 'zee'. elegans is Latijn voor 'sierlijk, fijn'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mazatlán in Mexico.