Alle soortenGierzwaluwachtigenGierzwaluwen › Alpengierzwaluw

Alpengierzwaluw | Tachymarptis melba

Alpine swift | Vencejo real

De alpengierzwaluw is de grootste gierzwaluw van het Middellandse Zeegebied: bijna twee keer zo zwaar als de gewone gierzwaluw, met een spanwijdte die eerder aan een kleine valk doet denken. Boven een rotswand of een kathedraal verraadt hij zich door de witte buik die van onderaf oplicht.

Alpengierzwaluw (Tachymarptis melba)
Foto: Pierre-Marie Epiney — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, metaalachtige triller die voortdurend van toonhoogte wisselt: ti-ti-ti-tjirrrrrrr-ti-ti, eerst versnellend en stijgend, dan vertragend en dalend, soms een halve minuut aaneen. Daarmee is hij meteen te scheiden van de vlakke, eentonige gil van de gierzwaluw. Rond de kolonies klinkt de triller de hele dag, het luidst in de late namiddag.

Luister: Triller in vluchtXC483586

Opname: tsilianidis saky — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Fors gebouwd, met lange, sikkelvormige vleugels en een korte, ondiep gevorkte staart. De bovendelen zijn egaal grijsbruin; de onderzijde toont een witte keel en een grote, ovale witte buikvlek, en daartussen ligt een bruine borstband die ook op afstand als een streep zichtbaar blijft. Flanken en onderstaartdekveren zijn donker, waardoor het wit als een los vlak midden op de buik staat. De vleugelslag is trager en zwaarder dan die van de gierzwaluw, met lange glijfases waarin de vogel nauwelijks lijkt te bewegen.

Verwarrings­soorten

De gierzwaluw is duidelijk kleiner en egaal roetbruin, met hooguit een vage lichte keelvlek; de witte buik en de bruine borstband ontbreken volledig. De vale gierzwaluw is eveneens veel kleiner en bruiner, met een contrastrijker kop- en keelpatroon en een breder ogende vleugelbasis, maar ook zonder wit op de buik. Op grote afstand kan een boomvalk verwarren; die heeft een gestreepte onderzijde, een roestrode broek en een stuwende vlucht met korte glijfases.

Leefgebied

Rotswanden, kloven en steile bergflanken, en langs de kust hoge zeekliffen. Daarnaast oude, hoge gebouwen — kathedralen, vestingtorens, stadsmuren — die als kunstmatige rots dienen. Jaagt hoog in de open lucht boven bergketens, alpiene weiden en steden, vaak tientallen kilometers van de kolonie; bij koud, nat weer zakt hij naar lage luchtlagen boven meren en stuwmeren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Zuid-Europa tot in de Alpen, Noordwest-Afrika, Turkije en het Midden-Oosten, oostwaarts tot in de Himalaya; standvogels in Afrika, op Madagaskar en in India. In Iberië broedt hij over een groot deel van het schiereiland, van de kalkrotsen en kloven van het binnenland tot de steden van Andalusië en de Middellandse Zeekust. In Noordwest-Europa een schaarse dwaalgast, meestal vogels die vanuit het zuiden te ver zijn doorgeschoten: bijna de helft tussen eind maart en eind juni, de rest vooral tussen half augustus en begin november. De Europese broedvogels overwinteren in tropisch en zuidelijk Afrika.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in mei naar een kalkrotsmassief of een stadsklif in het Middellandse Zeegebied — de kathedraalrots van Cuenca, de Tajo van Ronda, de Hoces del Duratón — en kijk tussen het middaguur en het eind van de middag, wanneer de vogels het hoogst boven de rand cirkelen en het meest roepen; bij koel weer jagen ze laag boven nabijgelegen stuwmeren. In Noordwest-Europa loont het bij aanhoudende zuidoostenwind in april en mei om de kust en de grote wateren af te speuren tussen de eerste gierzwaluwen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een uitgestrekt areaal en een stabiele wereldpopulatie. In delen van Europa neemt de soort zelfs toe, doordat kolonies in gebouwen zich naar nieuwe steden uitbreiden. Lokaal spelen renovaties waarbij nestholten in torens en kerken worden dichtgezet, en verstoring van rotskolonies door klimroutes.

Wetenschappelijke naam

Tachymarptis melba | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo melba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachymarptis werd in 1922 ingevoerd door Roberts. Tachymarptis is Grieks, van takhus 'snel' en marptis 'grijper', naar de vogel die zijn prooi in snelle vlucht uit de lucht pakt. melba is van onzekere herkomst; mogelijk een verkorting van melanoalba, van het Griekse melas 'zwart' en het Latijnse albus 'wit', naar het bruin met wit getekende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gibraltar.