Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Amerikaanse bosruiter

Amerikaanse bosruiter | Tringa solitaria

Solitary sandpiper | Andarríos solitario

Een kleine, donkere ruiter uit Noord-Amerika die in Europa hooguit een paar keer per decennium wordt gevonden. Wie hem tegenkomt ziet in eerste instantie een witgat dat niet klopt: even donker, even compact, maar met een opvallende witte oogring en zonder de witte stuit die bij het opvliegen hoort te flitsen.

Amerikaanse bosruiter (Tringa solitaria)
Foto: Becky Matsubara — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Roept vrijwel altijd bij het opvliegen: een scherp, hoog en nogal ijl pit-wiet-wiet van twee of drie lettergrepen, dunner en spitser dan het volle tluu-wiet-wiet van het witgat en aan het eind oplopend. De klank doet denken aan de Amerikaanse oeverloper, maar is ijler en dringender. Een vogel die zwijgend opvliegt levert veel meer werk op.

Luister: RoepXC991724

Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Formaat en bouw van een witgat, maar slanker van hals en fijner van snavel. De bovendelen zijn donker olijfbruin met kleine, scherpe witte spikkels, de borst is fijn gestreept en scherp begrensd tegen de witte buik. De volledige, brede witte oogring valt op de donkere kop meteen op; de lichte streep loopt alleen van snavel tot oog en niet erachter door. Poten donker olijfgroen, snavel recht en donker met een doffe groene basis. In vlucht is de stuit donker: alleen de buitenste staartpennen zijn wit met zware zwarte dwarsbanden, en de ondervleugel is roetzwart. De poten steken nauwelijks voorbij de staartpunt. Juvenielen hebben okerkleurige in plaats van witte spikkels en zijn de leeftijd die Europa het vaakst bereikt.

Verwarrings­soorten

Witgat is de eerste soort die je moet uitsluiten, en het verschil zit in de stuit: bij witgat een gesloten sneeuwwit vlak dat tegen een brede zwarte staartband knalt, bij de Amerikaanse bosruiter een donkere stuit met een donker staartmidden en fijn zwart-wit gebandeerde staartzijden. Witgat is verder gedrongener, zwarter van boven en grover gevlekt, met een onderbroken oogring en een korte wenkbrauw. Bosruiter is de tweede valkuil: lange wenkbrauwstreep tot ver achter het oog, vierkante witte stuit, gele poten en — doorslaggevend — een lichtgrijze ondervleugel, waar de Amerikaanse bosruiter en het witgat allebei een bijna zwarte ondervleugel tonen. Loop de drie kenmerken in vaste volgorde na: oogring, stuit, ondervleugel. Samen laten ze niets open.

Leefgebied

Kleine, beschutte zoete wateren: bosslootjes, greppels, beekranden, moddervijvertjes en de dichtgegroeide hoeken van zuiveringsvijvers, kleiputten en spaarbekkens. Het open wad mijdt hij. In het broedgebied — veenmoeras en moerasbos van Alaska en Canada — legt hij zijn eieren in oude nesten van lijsters en andere zangvogels in bomen; de jongen laten zich binnen een dag of twee na het uitkomen naar beneden vallen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de hele Noord-Amerikaanse taiga, overwinterend van Mexico tot in Argentinië. In het kaartgebied zeldzaam: de Azoren nemen het grootste deel van de gevallen voor hun rekening, daarna komen de Britse Eilanden; langs de Noordzeekust en in Iberië slechts een handvol. De meeste vogels zijn juvenielen die eind augustus en in september over de oceaan zijn gedreven; wie aanlandt blijft vaak dagen bij hetzelfde plasje.

Hoe en wanneer kijken

Zoek in september niet op het wad maar bij het kleine water: een dichtgegroeide zuiveringsvijver, een greppel achter een dijk, een half drooggevallen kleiput met wilgenopslag. Loop langzaam en luister, want de vogel gaat meestal op tien meter op de wieken en roept dan. Kijk bij het wegvliegen naar de stuit; twee seconden zijn genoeg.

Staat van instandhouding

Wereldwijd Niet bedreigd (LC), met een dun bezet maar zeer uitgestrekt broedareaal in boreaal Noord-Amerika. Aantallen zijn slecht te volgen omdat de soort solitair broedt en zich in de broedtijd nauwelijks laat zien. De duidelijkste knelpunten zijn het verdwijnen van kleine bosmoerassen door houtkap en ontwatering en het droogvallen van de moddervijvers en rijstvelden die hij in de winter gebruikt.

Wetenschappelijke naam

Tringa solitaria | Wilson, 1813

Wilson beschreef de soort in 1813 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. solitaria is Latijn voor 'eenzaam', van solus 'alleen', naar de gewoonte om alleen te verschijnen in plaats van in groepen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Pocono Mountains in Pennsylvania.