Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleine geelpootruiter
Kleine geelpootruiter | Tringa flavipes
Lesser yellowlegs | Archibebe patigualdo chico
De meest gemelde Nearctische ruiter van Europa, en van de twee geelpootruiters verreweg de vaakst vastgestelde. Een slanke, grijze vogel met een klein kopje op hoge, kanariegele poten, die met korte gehaaste pasjes de waterlijn afwerkt.
Geluid
Een zacht, vlak en tweelettergrepig tjoe-tjoe, soms teruggebracht tot één noot, zonder de bellende scherpte van de grote geelpootruiter. De toon is mat en enigszins klaaglijk en draagt veel minder ver. Twee noten tegen drie is in het veld het snelste onderscheid tussen de twee soorten, en betrouwbaarder dan het inschatten van formaat bij een losse vogel.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Met 23–25 cm zit hij tussen bosruiter en tureluur in, maar hij staat veel hoger op de poten en oogt grijzer. De snavel is dun, kaarsrecht, egaal donker en ongeveer even lang als de kop. Poten helder geel tot oranjegeel, met een lange kale scheenbeenbasis die goed te zien is als de vogel waadt. Bovendelen grijsbruin met kleine witte spikkels; kop en hals fijn gestreept, de borst vaag gestreept en zonder scherpe grens overlopend in wit. In vlucht een vierkante witte stuit, een fijn gebandeerde staart, effen vleugels zonder streep en tenen die duidelijk voorbij de staart uitsteken.
Verwarringssoorten
De grote geelpootruiter is de belangrijkste toets: die is fors groter, heeft een snavel van ongeveer anderhalf keer de koplengte met een dikkere, vaak grijze basis en een lichte opwip, en roept in drieën. De kleine heeft een naaldfijne, kaarsrechte, egaal donkere snavel ter lengte van de kop en roept in tweeën. De poelruiter is de tweede kandidaat: olijfgroene tot geelgroene poten in plaats van kanariegeel, een nog fijnere snavel op een klein en rond kopje, en in vlucht een lange witte wig die tot ver op de rug doorloopt met een vrijwel ongebandeerde witte staart, waar de kleine geelpootruiter het houdt bij een vierkante witte stuit en een duidelijk gebandeerde staart. Jonge tureluurs hebben ook gelige poten, maar zijn gedrongener, hebben een oranje snavelbasis en tonen in vlucht een brede witte achterrand in de vleugel.
Leefgebied
Ondiep zoet en licht brak water met een kale modderrand: plas-drasgebieden, kleiputten, inlaagjes, zuiveringsvijvers, slibdepots en pas ingerichte natuurterreinen. Hij loopt sneller en onrustiger dan een tureluur, pikt van het oppervlak en waadt zelden diep. In het broedgebied kiest hij open plekken, brandvlakten en open veenmoeras in de boreale bossen van Canada en Alaska, met kleine vennen ertussen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de Noord-Amerikaanse taiga van Alaska tot Quebec, overwinterend van de Golfkust tot in Argentinië. In Europa de talrijkste Nearctische ruiter: jaarlijks op de Britse Eilanden, verspreid langs de Noordzeekust en in Iberië — met enige regelmaat in de Ebrodelta, de Guadalquivirmarismas en aan de Cantabrische kust — vooral tussen juli en oktober. Een deel blijft weken hangen; er zijn overwinteringen bekend.
Hoe en wanneer kijken
Scan in augustus en september de plas-drasgebieden en de randen van kleiputten waar kemphanen en bosruiters staan; de kleine geelpootruiter valt op door zijn gele poten en het gehaaste, hoogbenige loopje. Kijk bij het opvliegen naar de staart: vierkante witte stuit, fijn gebandeerde staart. Neem het geluid op als het kan, want één roep sluit de determinatie.
Staat van instandhouding
Wereldwijd Niet bedreigd (LC), maar Noord-Amerikaanse tellingen wijzen sinds de jaren zeventig op een fors verlies, in de orde van meer dan de helft van de populatie. Genoemd worden het verdwijnen van ondiepe pleisterwateren langs de trekroute, jacht tijdens de trek in het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika, en veranderingen in het boreale broedgebied.
Wetenschappelijke naam
Tringa flavipes | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax flavipes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. flavipes is Latijn, van flavus 'geel' en pes 'voet', naar de gele poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New York.



