Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Bladkoning
Bladkoning | Phylloscopus inornatus
Yellow-browed warbler | Mosquitero bilistado
Een Siberische dwerg van nog geen zeven gram die elk najaar bij oostenwind in tientallen in onze kustbosjes belandt. Vijftig jaar geleden was hij een grote zeldzaamheid; nu is hij in oktober een vaste gast, die vrijwel altijd eerst op het geluid wordt gevonden.
Geluid
De roep maakt de soort: een luid, doordringend, opgaand tsuu-iest, twee lettergrepen die naar boven toe uitschieten, hard voor een vogel van dit formaat en om de paar seconden herhaald. Het is precies dat geluid waarmee je hem in een kustbosje vindt: je hoort hem drie keer voordat je hem één keer ziet. Humes bladkoning roept vlakker en minder stijgend, meer een tweelettergrepig tsju-wiet of een droog, mezenachtig wesoe, zonder de opzwiepende uithaal. De zang, in Europa zelden te horen, is een hoge, ijle reeks van een paar herhaalde tonen.
Opname: Luis Ramos — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Het kleinste groene vogeltje van het bosje, fris olijfgroen boven en wit onder, met opvallend veel tekening op de kop: een lange, brede, roomgele wenkbrauwstreep die tot achter het oog doorloopt, een donkere oogstreep en meestal een vage lichte kruinstreep over het midden van de kruin. Op de vleugel staan twee lichte strepen: een brede, geelwitte over de grote dekveren en een kortere, smallere over de middelste dekveren; de tertials hebben brede witte zomen. De snavel is donker met een oranjeroze basis, de poten zijn lichtbruin tot vleeskleurig. Nooit stil: hij hangt, wipt en bidt aan de takuiteinden.
Verwarringssoorten
Humes bladkoning is de moeilijkste: die is doffer en grijzer, met een vuilwitte in plaats van geelwitte wenkbrauwstreep, één duidelijke vleugelstreep en een tweede die vaak vrijwel ontbreekt, een geheel donkere snavel met hooguit een spoortje licht aan de basis en donkere poten. Pallas' boszanger is nog kleiner en veel contrastrijker: een felgele kruinstreep, een gele stuitvlek die bij het bidden oplicht en bredere gele vleugelstrepen. Tjiftjaf en fitis zijn groter, zonder vleugelstrepen en zonder kruinstreep.
Leefgebied
Broedt in de Siberische taiga van berk, lariks en spar. Op doortrek in Europa in kustbosjes, duinstruweel, duindoorn en vlier, wilgen rond drinkpoelen, populierenrijen, begraafplaatsen en dorpstuinen — vrijwel altijd in de buitenste takken van loofbomen, hoog in de kruin of juist laag in de struiklaag, en vaak in het gezelschap van mezen en goudhaantjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de Oeral tot in Oost-Siberië en overwintert normaal in Zuidoost-Azië. Elk najaar dwaalt een deel westwaarts af. Langs de Noordzee en de Atlantische kusten van Noordwest-Europa en Scandinavië duiken bij een aanhoudende oostenwind in oktober tientallen tot honderden op, geconcentreerd op eilanden en kapen zoals de Waddeneilanden. In het Middellandse Zeegebied en Macaronesië is hij een dwaalgast die vooral aan de Atlantische noordkust van Iberië — Galicië, Asturië, Baskenland —, langs de Spaanse oostkust en op de Canarische Eilanden wordt gezien, met van jaar op jaar meer waarnemingen.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De eerste twee weken van oktober, na een paar dagen wind uit het oosten of noordoosten, in een kustbosje of duinstruweel. Loop langzaam, blijf om de vijftig meter staan en luister; zodra je het tsuu-iest hoort, wacht je tot de mezenroep langskomt, want de bladkoning trekt vrijwel altijd met een mezengroep mee. Kijk naar de buitenste takken tegen de lucht — daar valt de dubbele vleugelstreep het best op.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en met een zeer grote, stabiele broedpopulatie in Siberië. Het aantal vogels dat Europa bereikt is in de afgelopen decennia sterk toegenomen; of dat komt door groei van de populatie, door een verschuiving van de trekrichting of simpelweg door meer waarnemers die de roep kennen, is nog niet uitgemaakt.
Wetenschappelijke naam
Phylloscopus inornatus | (Blyth, 1842)
Blyth beschreef de soort in 1842 als Regulus inornatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. inornatus is Latijn voor 'onopgesmukt', van in- 'niet' en ornatus 'versierd'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Calcutta.



