Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Bosuil
Bosuil | Strix aluco
Tawny owl | Cárabo común
De stem van het nachtelijke bos in Noordwest-Europa en veruit de talrijkste uil van de Lage Landen. Hij is standvogel en zo honkvast dat een paar jarenlang hetzelfde bosje, park of kerkhof bezet houdt.
Geluid
Twee geluiden. Het territoriale mannetje roept een gerekt hoehoe … hoe-hoehoehoeoe met trillend slot; het wijfje antwoordt met een scherp, schril kwiewiet. Het meest te horen van oktober tot februari, in de eerste uren na het donker en opnieuw vlak voor zonsopgang.
Opname: Alvaro Ortiz Troncoso — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Gedrongen, grootkoppige uil zonder oorpluimen, met een rond, egaal gezicht en volledig zwarte ogen. Er is een grijsbruine en een roodbruine kleurvorm, beide met zware lengtestrepen en een lichte rij witte schouderveren over de rug. In de vlucht breed en rond gevleugeld, met trage en volstrekt geruisloze slagen.
Verwarringssoorten
Ransuil: slanker, met oranje ogen, oorpluimen en een smaller, verbaasd ogend gezicht; in de vlucht langere, smallere vleugels en meer zweefpassages. De oehoe is veel groter met felle oranje ogen. Het geluid beslist: de ransuil zucht monotoon hoe, de bosuil roept gerekt en getrild.
Leefgebied
Oud loofbos met holle bomen, maar evengoed landgoederen, parken, begraafplaatsen en oude stadstuinen met zwaar geboomte. Heeft holtes of nestkasten nodig en een gevarieerde ondergroei vol muizen; ontbreekt in Ierland en in grote delen van open polderland.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Vrijwel heel Europa behalve Ierland, IJsland en Noord-Scandinavië. In Noordwest-Europa algemeen op zandgronden en in oude parken tot in de stad; in het Middellandse Zeegebied talrijk in eiken- en beukenbos, bergnaaldbos en dehesa. Standvogel, zwerft vrijwel nooit ver.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga van oktober tot december een uur na zonsondergang stil aan de rand van een oud bos of park staan en luister; de roep draagt honderden meters. In februari en maart zitten baltsende paren vaak roepend in de top van een dode boom.
Staat van instandhouding
In Europa over het algemeen stabiel, met lokale afname waar oud loofbos en holle bomen verdwijnen. Bedreigingen zijn kap van nestbomen, secundaire vergiftiging door rodenticiden en aanrijdingen op bosrijke wegen; verstoring van roepende vogels door afgespeeld lokgeluid in de baltstijd is een groeiend probleem.
Wetenschappelijke naam
Strix aluco | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Strix voerde hij in datzelfde werk in. Strix is het Latijnse woord voor 'uil'; in de klassieke overlevering was de strix een nachtvogel die het bloed van zuigelingen zou drinken. aluco komt van het Italiaanse allocco 'bosuil', dat teruggaat op het Latijnse ulucus 'schreeuwuil'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.



