Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Breedbekstrandloper
Breedbekstrandloper | Calidris falcinellus
Broad-billed sandpiper | Correlimos falcinelo
De enige echte Europese broedvogel onder de zeldzame strandlopers, en een van de weinige waarvan je het broedgebied kunt bezoeken. Broedt op drijvende veenmatten in de aapavenen van Noord-Scandinavië en trekt in mei en augustus over het wad, laag op de poten, met een snavel die aan de punt een knik naar beneden maakt.
Geluid
De vluchtroep is een droge, zoemende triller, ongeveer dzjrriet, hoger en schraler dan de rollende roep van de bonte strandloper en het best te leren door hem in een gemengde groep op te pikken. Daarnaast een klikkend tik tik in de vlucht. Op het broedveen zingt het mannetje in een lage zangvlucht een aanhoudend zoemend gesnor, zrie-zrie-zrie, dat over de veenpoelen ver draagt.
Opname: Alfonso Maffezzoli — CC0 · xeno-canto
Herkenning
Kleine, gedrongen strandloper met een kort achterlijf en opvallend korte poten, waardoor de vogel laag en gehurkt oogt. De snavel is voor het formaat lang, breed van basis, recht over het grootste deel van de lengte en dan met een duidelijke knik naar beneden bij de punt. Het kopje is snipachtig getekend: een donkere kruin met daarboven en daaronder een lichte streep, zodat er een dubbele wenkbrauwstreep ontstaat die boven de snavel in een V samenkomt. De bovendelen zijn donker met witte mantelstrepen; in zomerkleed is de borst dicht gestreept en staan er pijlpunten op de flanken, bij jonge vogels zijn de veerzomen warm okerkleurig. In vlucht een smalle witte vleugelstreep en een donkere voorvleugel.
Verwarringssoorten
De verwarring gaat vrijwel altijd met de bonte strandloper, waarmee de breedbekstrandloper op het wad tussen de duizenden staat. Drie dingen beslissen het. Ten eerste de kop: de bonte strandloper heeft één simpele wenkbrauwstreep, de breedbekstrandloper een dubbele, met een smalle donkere lijn ertussen die de kruinzijde afsnijdt. Ten tweede de snavel: bij de bonte strandloper egaal en geleidelijk gebogen over de hele lengte, bij de breedbekstrandloper recht met een korte, scherpe knik in de laatste centimeter. Ten derde de poten: die van de breedbekstrandloper zijn merkbaar korter, zodat de vogel dichter bij het slik ligt en zich met kleine, drukke pasjes voortbeweegt in plaats van de gestage tred van de bonte strandloper. Op afstand helpt ook de silhouetverhouding: kleiner, korter achter de poten, maar met een snavel die bijna even lang lijkt.
Leefgebied
Broedt in aapavenen: uitgestrekte, basenrijke venen met poelen, zeggenruggen en drijvende veenmostapijten, waarin het nest op een lage bult komt te liggen. Buiten de broedtijd op slikplaten en wadranden, in zoutwinningsbekkens, brakke lagunes, kleiputten en natte natuurontwikkeling, meestal aan de rand van het water op de weekste modder.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het Europese broedgebied ligt in Noord-Noorwegen, -Zweden en -Finland en Noordwest-Rusland; de vogels overwinteren van de Perzische Golf tot Oost-Afrika en India. In Noordwest-Europa jaarlijks in klein aantal, vrijwel altijd enkelingen tussen bonte strandlopers, met een scherpe piek rond half mei en een tweede golf in augustus, aan de Waddenkust, in de Delta en aan de Britse oostkust. Rond de Middellandse Zee schaars, vooral in de Ebrodelta, de Spaanse zoutpannen en op de Balearen, in april–mei en van de zomer tot in het najaar met een piek in augustus.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga rond 12 tot 20 mei naar een hoogwatervluchtplaats aan de Waddenkust of een ondergelopen natuurgebied achter de Noordzeedijken, en in augustus naar de zoutpannen aan de Middellandse Zee, en werk een groep bonte strandlopers rij voor rij af. Zoek niet naar kleur maar naar de kop: zodra een vogel twee lichte strepen boven het oog laat zien, staat de rest vast. In augustus zitten er jonge vogels bij met warme okeren veerzomen, die tussen de grijzere ruiende adulten opvallen.
Staat van instandhouding
Sinds 2024 staat de soort als kwetsbaar op de rode lijst, in één stap van niet bedreigd naar kwetsbaar. In Fennoscandië liep de stand tussen 2006 en 2018 met ruim vijf procent per jaar terug, in Finland zelfs ruim zeven procent, wat neerkomt op een halvering in een jaar of twaalf. De oorzaken liggen grotendeels op het broedveen: ontwatering voor bosbouw en landbouw, verzuring door afstromend bosbouwwater, oprukkend veenmos dat de open zeggenpoelen dichtgroeit, en nesten die bij zomerhoogwater verdrinken. In Azië komt het verlies van getijdengebieden langs de Oost-Aziatische trekbaan daar nog bovenop.
Wetenschappelijke naam
Calidris falcinellus | (Pontoppidan, 1763)
Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Scolopax falcinellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. falcinellus is een verkleinwoord van het Latijnse falx, falcis 'zeis, sikkel' en betekent dus 'sikkeltje'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Seeland in Denemarken.



