Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kemphaan
Kemphaan | Calidris pugnax
Ruff | Combatiente
Geen Europese steltloper is zo veranderlijk als de kemphaan: in het voorjaar dragen de mannen grote kragen in wit, zwart, roest of paars. Buiten de baltstijd is het een onopvallende, hoogpotige en kleinkoppige vogel met een bolle rug.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Kleedvormen



Geluid
Een van de stilste steltlopers. Op de lek zwijgen de mannen vrijwel volledig en klinkt hooguit wat gegrom en vleugelgeklapper. In vlucht af en toe een laag, grommend oek of kroe, veel gedempter dan de roep van een tureluur en gemakkelijk te missen in een gemengde groep.
Opname: Teet Sirotkin — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Kleine kop, korte licht gebogen snavel en een bolle, gebochelde rug op oranje, gele of grijsgroene poten. In vlucht een smalle witte vleugelstreep en, kenmerkend, twee ovale witte vlekken aan weerszijden van de donkere staartbasis. Voorjaarsmannen dragen individueel verschillende kragen en oorpluimen en een wrattig geel of oranje gezicht. Vrouwtjes zijn veel kleiner, ongeveer een derde lichter, en schubbig grijsbruin.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes en jonge vogels lijken op andere middelgrote steltlopers, maar de kleine kop, de korte snavel en de gebogen rug geven de soort iets van een miniatuurruiter. Jonge kemphanen zijn warm okergeel op de borst met een geschubde mantel. De witte ovalen naast de staart en de zwakke vleugelstreep beslissen bij het opvliegen.
Leefgebied
Vochtige extensieve graslanden, ondergelopen weilanden, slikranden van plassen, kwelders en rijstvelden. Broedt op natte toendra en in noordelijke moerasgraslanden. Op doortrek in Nederland vooral in kleiige, plasdras gezette polders en langs slikkige oevers, waar de groepen langzaam pikkend rondlopen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Nederland en Scandinavië oostwaarts over de Siberische toendra; het overgrote deel overwintert in de Sahel. Als Nederlandse broedvogel vrijwel verdwenen, maar in maart en april trekken duizenden door de natte polders. In Spanje overwinteren grote aantallen in de rijstvelden van de Ebrodelta, de Albufera en de marismas van Doñana.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in de eerste helft van april naar een plasdras in het veenweidegebied en kijk bij zonsopgang; dan verzamelen de mannen zich op de baltsplaats en dragen ze hun kragen. Later op de ochtend verspreiden de vogels zich over de graslanden en verdwijnen ze in de vegetatie.
Staat van instandhouding
Als broedvogel in West-Europa vrijwel verdwenen door ontwatering, vroege maaidata en het verlies van kruidenrijk nat grasland; in Nederland resteren hooguit enkele paren. De Siberische populatie is nog groot, maar ook langs de trekroute dalen de aantallen, mede door jacht en droogte in de Sahel.
Wetenschappelijke naam
Calidris pugnax | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa pugnax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. pugnax is Latijn voor 'strijdlustig', naar het schijngevecht van de mannetjes op de baltsplaats. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.




