Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Kemphaan

Kemphaan | Calidris pugnax

Ruff | Combatiente

Geen Europese steltloper is zo veranderlijk als de kemphaan: in het voorjaar dragen de mannen grote kragen in wit, zwart, roest of paars. Buiten de baltstijd is het een onopvallende, hoogpotige en kleinkoppige vogel met een bolle rug.

Kemphaan (Calidris pugnax)
Hoofdfoto · Foto: Wald1siedel — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Kleedvormen

Kemphaan, voorjaarsman met zwarte kraag
Voorjaarsman met zwarte kraag · Foto: Jerzy Strzelecki — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Kemphaan, voorjaarsman met witte kraag
Voorjaarsman met witte kraag · Foto: Jerzy Strzelecki — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Kemphaan, twee voorjaarsmannen met verschillend gekleurde kraag
Twee voorjaarsmannen met verschillend gekleurde kraag · Foto: Jerzy Strzelecki — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een van de stilste steltlopers. Op de lek zwijgen de mannen vrijwel volledig en klinkt hooguit wat gegrom en vleugelgeklapper. In vlucht af en toe een laag, grommend oek of kroe, veel gedempter dan de roep van een tureluur en gemakkelijk te missen in een gemengde groep.

Luister: RoepXC1157164

Opname: Teet Sirotkin — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Kleine kop, korte licht gebogen snavel en een bolle, gebochelde rug op oranje, gele of grijsgroene poten. In vlucht een smalle witte vleugelstreep en, kenmerkend, twee ovale witte vlekken aan weerszijden van de donkere staartbasis. Voorjaarsmannen dragen individueel verschillende kragen en oorpluimen en een wrattig geel of oranje gezicht. Vrouwtjes zijn veel kleiner, ongeveer een derde lichter, en schubbig grijsbruin.

Verwarrings­soorten

Vrouwtjes en jonge vogels lijken op andere middelgrote steltlopers, maar de kleine kop, de korte snavel en de gebogen rug geven de soort iets van een miniatuurruiter. Jonge kemphanen zijn warm okergeel op de borst met een geschubde mantel. De witte ovalen naast de staart en de zwakke vleugelstreep beslissen bij het opvliegen.

Leefgebied

Vochtige extensieve graslanden, ondergelopen weilanden, slikranden van plassen, kwelders en rijstvelden. Broedt op natte toendra en in noordelijke moerasgraslanden. Op doortrek in Nederland vooral in kleiige, plasdras gezette polders en langs slikkige oevers, waar de groepen langzaam pikkend rondlopen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Nederland en Scandinavië oostwaarts over de Siberische toendra; het overgrote deel overwintert in de Sahel. Als Nederlandse broedvogel vrijwel verdwenen, maar in maart en april trekken duizenden door de natte polders. In Spanje overwinteren grote aantallen in de rijstvelden van de Ebrodelta, de Albufera en de marismas van Doñana.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in de eerste helft van april naar een plasdras in het veenweidegebied en kijk bij zonsopgang; dan verzamelen de mannen zich op de baltsplaats en dragen ze hun kragen. Later op de ochtend verspreiden de vogels zich over de graslanden en verdwijnen ze in de vegetatie.

Staat van instandhouding

Als broedvogel in West-Europa vrijwel verdwenen door ontwatering, vroege maaidata en het verlies van kruidenrijk nat grasland; in Nederland resteren hooguit enkele paren. De Siberische populatie is nog groot, maar ook langs de trekroute dalen de aantallen, mede door jacht en droogte in de Sahel.

Wetenschappelijke naam

Calidris pugnax | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa pugnax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. pugnax is Latijn voor 'strijdlustig', naar het schijngevecht van de mannetjes op de baltsplaats. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.