Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Kanoet

Kanoet | Calidris canutus

Red knot | Correlimos gordo

De kanoet is de steltloper van de grote getallen: dichte wolken die boven het wad als één organisme van kleur wisselen. Hij pendelt tussen de hoogarctische toendra en het Waddengebied en past onderweg zelfs de grootte van zijn maag aan.

Kanoet (Calidris canutus)
Hoofdfoto · Foto: Hans Hillewaert — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Vrij zwijgzaam voor zo'n talrijke soort: een laag, wat knorrig knut en in vlucht een zacht, tweelettergrepig kwik-ik. Een opvliegende groep produceert vooral het ruisende geluid van duizenden vleugels. De zang klinkt alleen op de toendra en is in Europa niet te horen.

Luister: VluchtroepXC1088498

Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · xeno-canto

Herkenning

Gedrongen, kortpotige strandloper met een dikke hals, een korte rechte zwarte snavel en olijfgroene poten. In zomerkleed baksteenrood van gezicht tot buik, met zwart en rossig geschubde bovendelen. In winterkleed egaal grijs met lichte wenkbrauwstreep, fijn geschubde flanken en een bleke, gebandeerde stuit; in vlucht een smalle witte vleugelstreep.

Verwarrings­soorten

Bonte strandloper is kleiner, met een langere, licht gebogen snavel en in zomerkleed een zwarte buikvlek. Rosse grutto is veel groter en langsnaveliger. Zilverplevier heeft zwarte okselveren en een duidelijk plevierprofiel. Het lastigst is de dwaalgast grote kanoet: forser, langer van snavel en met een sterk gevlekte borst.

Leefgebied

Uitgestrekte zandige en slibrijke wadplaten met kokkels en nonnetjes, waar de vogels tastend met de snavel schelpdieren opsporen, plus strandvlaktes en estuaria. Slaapt op hoogwatervluchtplaatsen op kwelders, zandbanken en dijken, vrijwel altijd in dichte, aaneengesloten groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt op de hoogarctische toendra van Groenland, Canada en Siberië, en de twee bevolkingen doen iets heel verschillends. De Siberische vogels van Taimyr trekken door naar de Banc d'Arguin in Mauritanië en tanken onderweg bij in de Waddenzee en de Golf van Biskaje; de Groenlandse en Canadese vogels blijven in West-Europa, ruien in de nazomer in de Wash en de Waddenzee en keren in het voorjaar terug via IJsland en Noord-Noorwegen. De toendra loopt in drie golven leeg: de vrouwtjes half juli, de mannetjes twee weken later, de jongen eind augustus. In Spanje is de soort veel schaarser, met de hoogste aantallen in de Galicische ría's, de ría van Huelva, de Baai van Cádiz en de Ebrodelta.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Spanje, augustus en september bij opkomend water in Doñana, Huelva of Cádiz, te zoeken tussen groepen andere steltlopers. Op het wad: ga twee tot drie uur voor hoogwater naar een hoogwatervluchtplaats zoals de Richel, de Boschplaat of het Balgzand en wacht tot de vogels worden opgeschoven. In mei zijn ze in vol roodbruin zomerkleed.

Staat van instandhouding

Wereldwijd Gevoelig (IUCN: Near Threatened). Kanoeten zijn kwetsbaar omdat ze op een handvol zeer specifieke tussenstops zijn aangewezen; mechanische schelpdiervisserij, verstoring op hoogwatervluchtplaatsen en veranderende omstandigheden op de arctische broedgebieden door klimaatopwarming zijn de belangrijkste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Calidris canutus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa canutus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. canutus wordt vanouds in verband gebracht met koning Knoet, naar het verhaal dat hij het tij gebood en naar het foerageren van de kanoet langs de vloedlijn, maar historische grond daarvoor ontbreekt. Een andere verklaring is dat de naam de knorrende roep nabootst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.