Alle soortenFutenFuten › Dodaars

Dodaars | Tachybaptus ruficollis

Little grebe | Zampullín común

Het kleinste en rondste fuutje van Europa, eerder een drijvende poederdons dan een vogel. Het schaterende gehinnik uit een dichtbegroeide sloot verraadt hem meestal lang voordat het oog hem vindt.

Dodaars (Tachybaptus ruficollis)
Hoofdfoto · Foto: El Golli Mohamed — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een lang, versnellend en dalend gehinnik, een schaterend wiehiehiehie dat vaak in duet klinkt. Daarnaast een scherp wiet als alarm. Te horen van maart tot in juli, het sterkst bij het eerste licht, maar ook op zachte winterdagen wanneer de eerste territoria worden geclaimd.

Luister: RoepWikimedia Commons

Opname: Flor WMCH — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Klein, bol en kortsnavelig, met een pluizig licht achterlijf dat als een donsbal omhoogsteekt. In broedkleed donkerbruin met een kastanjerode wang en hals en een felle, opvallende geelgroene vlek in de mondhoek. In winterkleed veel bleker: warm beige flanken, bruine bovendelen en een vage lichte keel, terwijl de mondhoekvlek dof is.

Verwarrings­soorten

Alleen jonge futen en kleine duikeenden geven verwarring, maar de dodaars is beduidend kleiner en toont in vlucht geen enkele witte vleugelvlek. Van geoorde fuut en kuifduiker verschilt hij door de korte, stompe snavel, de bruine in plaats van grijzige tinten en het opvallend bleke achtereind.

Leefgebied

Kleine, ondiepe en beschutte wateren: kleiputten, vennen, sloten, stadsvijvers, kanalen met rietkragen en traag stromende beken. Broedt op een drijvend nest weggestopt tegen overhangende oevervegetatie. In de winter ook op groter en opener water, in havens en op ijsvrije stukken kanaal en rivier.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Verspreid over vrijwel heel Europa. In Noordwest-Europa, zoals in Nederland, een algemene broedvogel van kleine wateren, die 's winters ook kanalen en havens gebruikt; noordelijke en oostelijke vogels wijken voor de vorst uit. Rond de Middellandse Zee, zoals in Spanje, jaarrond aanwezig op rivieren, stuwmeren en lagunes, tot in de bergen toe.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in april vroeg in de ochtend langs een rietsloot of kleiput en blijf gewoon staan: het gehinnik komt vanzelf. In een strenge winter loont het om ijsvrije plekken in havens en sluiskolken af te zoeken, waar dodaarzen zich op het laatste open water concentreren.

Staat van instandhouding

Landelijk stabiel tot licht toenemend, geholpen door nieuw gegraven plassen, natuurvriendelijke oevers en zachte winters. Strenge vorst zorgt af en toe voor hoge sterfte. De belangrijkste knelpunten zijn het schonen van sloten in de broedtijd, verstoring door watersport en het weghalen van ruige oevervegetatie.

Wetenschappelijke naam

Tachybaptus ruficollis | (Pallas, 1764)

Pallas beschreef de soort in 1764 als Colymbus ruficollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachybaptus werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Tachybaptus is Grieks, van takhus 'snel' en baptō 'onderdompelen, duiken'. ruficollis is Latijn, van rufus 'roodbruin' en collum 'hals', naar de roestrode keel en halszijden in zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Holland.