Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Dunbekmeeuw
Dunbekmeeuw | Chroicocephalus genei
Slender-billed gull | Gaviota picofina
Een sierlijke meeuw van zoutpannen en kustlagunes, langhalzig, kleinkoppig en met een neerwaarts gebogen snavel — eerder iets tussen kokmeeuw en stern in dan een echte kokmeeuw. In het westelijke Middellandse Zeegebied heeft hij zijn bolwerk: wie hem zoekt in de Ebrodelta, de zoutpannen van Alicante of de moerassen van de Odiel vindt hem zonder Spanje te verlaten. In Noordwest-Europa, zoals in Nederland, is hij een zeldzame dwaalgast: acht aanvaarde gevallen in ruim twintig jaar, alle in het voorjaar, meestal adulte vogels en niet zelden met twee of drie tegelijk.
Geluid
Een schorre, nasale roep die aan de kokmeeuw doet denken maar voller en dieper klinkt. In de kolonie geven adulte vogels lange reeksen van zes tot tien harde kraah-noten, afgesloten met een hoger krerr. Boven een zoutpan hoor je vooral het aanhoudende gekrijs van tientallen vogels tegelijk, luidruchtiger dan bij een kokmeeuwkolonie van dezelfde omvang.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groter en langgerekter dan een kokmeeuw, met een opvallend lange, aflopende snavel die op afstand zwart lijkt maar van dichtbij donkerrood is. De kop is klein en rond, met een hoog voorhoofd dat vloeiend in de snavelbasis overgaat; hals en poten zijn lang, waardoor de vogel op het water hoog en gerekt oogt. Het jaar rond een witte kop zonder kap, met een lichte, geelwitte iris en een dunne rode ooglidring. Mantel lichtgrijs, borst en buik wit met een rozige waas die in het voorjaar sterk kan zijn. In vlucht een witte handwig als bij de kokmeeuw, met zwarte punt.
Verwarringssoorten
Het draait om de kokmeeuw. De dunbekmeeuw heeft een langere, aflopende snavel zonder duidelijke knik, terwijl de kokmeeuw een korter, dieper snaveltje met een hoekige ondersnavel heeft. De kop is klein en rond met een hoog voorhoofd, de hals en de poten zijn langer, en in zomerkleed ontbreekt de chocoladebruine kap volledig: alleen een donker vlekje achter het oog blijft over. Daarbij komt de roze gloed op de borst, die de kokmeeuw hooguit vaag toont. De iris is licht in plaats van donker.
Leefgebied
Zoutpannen, kustlagunes, riviermondingen en de ondiepe kustzee daarvoor. Broedt kolonievormend op kale zand- en schelpeneilandjes met wat zoutplanten, vaak samen met sterns, kluten en andere meeuwen. Foerageert al lopend en pikkend in de slikken en al vliegend boven ondiep water, waar hij zich vanaf een meter hoogte laat vallen om vis, garnalen en insecten te grijpen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Verspreid broedend rond de Middellandse Zee, de Zwarte en de Kaspische Zee, verder oostwaarts tot Kazachstan en Noordwest-India, en langs de kust van Mauritanië en Senegal, ook in Klein-Azië en het Midden-Oosten. Spanje herbergt het westelijke bolwerk: de soort broedt er geregeld in de Ebrodelta, de zoutpannen van Santa Pola en La Mata-Torrevieja en de Albufera van Valencia, en in Andalusië bij Punta Entinas-Sabinar, Doñana en de moerassen van de Odiel, met de wetlands van de Guadalquivirmonding als schakel ertussen; een deel van de populatie blijft 's winters bij de kolonies, de rest verspreidt zich over andere kusten. Ten noorden van de Pyreneeën is hij een dwaalgast: in Noordwest-Europa, waaronder Nederland, alleen in het voorjaar en steeds in kleine aantallen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Noordwest-Europa reken je er niet op. Wie de soort wil zien, gaat naar de Ebrodelta of naar de salinas van Santa Pola in april of mei en scant de zoutpannen vanaf de dijkjes; in de moerassen van de Odiel loont het om vroeg op de dag de paden tussen de bassins af te lopen, als het licht nog schuin staat en het roze op de borst goed te zien is. Let bij twijfel eerst op het silhouet: de lange hals en de aflopende snavel vallen eerder op dan de kleur van het verenkleed.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Spanje staat de soort als gevoelig te boek omdat de populatie klein is en op weinig plekken zit. De Spaanse aantallen groeien wel: de telling van 2020 kwam op ruim 2.500 broedparen. Bedreigingen zijn verandering van het waterpeil in de zoutpannen, opkomende predatoren op de broedeilandjes en verstoring, want een kolonie die eenmaal opvliegt keert lang niet altijd terug.
Wetenschappelijke naam
Chroicocephalus genei | (di Brème, 1839)
Di Brème beschreef de soort in 1839 als Larus genei; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chroicocephalus werd in 1836 ingevoerd door Eyton. Chroicocephalus verbindt het Oudgriekse khroikos 'gekleurd' met -kephalos '-koppig'. genei eert de Italiaanse natuuronderzoeker Giuseppe Gené. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sardinië.



