Alle soorten › Steltloperachtigen › Grielen › Griel
Griel | Burhinus oedicnemus
Eurasian thick-knee | Alcaraván común
Een grote, zandkleurige steltloper van droog, steenachtig land, die overdag doodstil op de grond zit en pas bij het invallen van de schemering actief wordt. Het enorme gele oog en de klaaglijke, wulpachtige roep zijn de twee kenmerken waar het bij deze soort om draait.
Geluid
Het belangrijkste kenmerk van de soort. Vanaf een halfuur na zonsondergang klinkt een klagend, langgerekt en opklimmend koer-liiii, dat inderdaad op een wulp lijkt maar scherper en schriller is en aan het eind wegvalt. De vogels beantwoorden elkaar en bouwen dat op tot een koor dat een halfuur kan aanhouden, waarbij het tempo oploopt en de roepen korter en heser worden: kwie-kwie-kwie. Bij onrust een kort, hard kik-kik-kik. Het geluid draagt bij windstil weer bijna een kilometer over de vlakte, en op een donkere avond is dit vrijwel altijd de enige manier waarop je de soort vaststelt.
Opname: Noé Ferrari — CC BY 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Grof gestreept zandbruin, met een lange, stevige hals en een zware, ronde kop. Het oog is groot en fel geel en wordt onderstreept door een witte wenkbrauwstreep en een witte streep onder de wangstreep; de snavel is geel met een zwarte punt, de poten zijn geelgroen en dik, met een opvallend verdikt spronggewricht. Op de gevouwen vleugel staat een zwart-wit-zwarte streep over de grote dekveren. In vlucht zijn de zwarte handpennen getekend met twee witte vlekken en oogt de vogel breedvleugelig en traag, meer als een kleine roofvogel dan als een steltloper.
Verwarringssoorten
In Europa nauwelijks te verwarren. Een gehurkte griel wordt vaker over het hoofd gezien dan verwisseld: de vogel drukt zich plat, strekt de hals en gaat volledig op in stenen en stoppels. In vlucht kan het zwart-witte vleugelpatroon aan een grote plevier doen denken, maar de trage slag, de lange hals en de uitstekende poten sluiten dat snel uit. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten overlapt de kleinere Senegalese griel, met een langere, overwegend zwarte snavel met gele basis, een effen grijs vlak op de grote dekveren en één in plaats van twee witte handpenvlekken. In het donker wordt de roep het vaakst voor een wulp aangezien.
Leefgebied
Open, droog en schaars begroeid terrein met een stenige of grindige bodem: droge graslanden, braak en stoppelvelden, kalkgraslanden, grindbanken langs rivieren, stuifzand en jonge duinen, en in Zuid-Europa ook olijfgaarden, wijngaarden en de open dehesa. De vogel heeft kort of afwezig gewas nodig om te kunnen lopen en broedt in een kuiltje op kaal terrein.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Zuid- en Midden-Europa, Noord-Afrika en de Levant, met noordelijke buitenposten in Engeland (de Brecks, Wessex, East Anglia) en Noord-Frankrijk; in de Lage Landen als broedvogel verdwenen. Iberië herbergt verreweg de grootste populatie, enkele tienduizenden paren van Extremadura en Castilië tot het Ebrodal, Andalusië en de Middellandse Zeekust, plus eigen ondersoorten op Fuerteventura en Lanzarote. Noordelijke broedvogels overwinteren in Iberië en Noord-Afrika.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga na zonsondergang met de auto naar een open, steenachtige vlakte, zet de motor af en luister; rijden en zoeken heeft geen zin, wachten wel. De steppen van Extremadura en La Mancha zijn terrein van de eerste orde, en op Fuerteventura en Lanzarote zijn de vogels veel minder schuw. In september en oktober verzamelen zich groepen van tientallen vogels op braakland en stoppels, en dat is de beste kans om ze bij daglicht te zien; scan dan vanaf een verhoging de kale grond af op de gele ogen. Vermijd het beschijnen van de vogels met een lamp.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Europa achteruitgaand. De Nederlandse broedpopulatie is in de twintigste eeuw verdwenen door ontginning van stuifzand en heide, vergrassing en de intensivering van het boerenland. Elders drukken het verlies van braak, vroeger en vaker maaien, aanleg van infrastructuur en verstoring door honden en terreinvoertuigen op de aantallen; in Engeland is de soort door nestbescherming op akkers weer toegenomen.
Wetenschappelijke naam
Burhinus oedicnemus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Charadrius oedicnemus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Burhinus werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Burhinus is Grieks, van bous 'rund' en rhis 'neus', naar de zware, brede snavelbasis. oedicnemus is Grieks, van oideō 'zwellen' en knēmē 'scheen', naar de opvallend dikke gewrichten in de poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Engeland.




