Alle soortenSpechtachtigenSpechten › Grote bonte specht

Grote bonte specht | Dendrocopos major

Great spotted woodpecker | Pico picapinos

De algemeenste bonte specht van Europa en in het voorjaar de trommelaar die elk bos vult. Hij is even goed thuis in stadsparken en tuinen, waar hij zonder aarzelen op vetbollen afkomt.

Grote bonte specht (Dendrocopos major)
Hoofdfoto · Foto: Polibil — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een scherp, explosief kik, bij opwinding versneld tot een ratelende reeks. Van januari tot april roffelt het mannetje een korte, snel wegstervende roffel van ongeveer een halve seconde op een dode tak: veel korter dan die van de zwarte specht en droger en sneller dan die van de middelste bonte specht. Jongen bedelen luid in juni.

Luister: RoffelWikimedia Commons

Opname: T. Voekler — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Zwart-wit met twee grote witte schouderschilden, gebandeerde vleugels, ongestreepte witte onderdelen en helderrode onderstaartdekveren. Het mannetje heeft een rode vlek in de nek, het wijfje niet; jonge vogels hebben een volledig rode kruin en dofrood onder de staart. De zwarte baardstreep loopt door tot in de nek en verbindt daar met het zwarte achterhoofd. Diep golvende vlucht.

Verwarrings­soorten

Middelste bonte specht is kleiner, met een rode kruin bij beide geslachten, roze onderbuik, gestreepte flanken en een onderbroken baardstreep, en klinkt nasaal jengelend. Syrische bonte specht mist de zwarte verbinding tussen baardstreep en nek en heeft roze in plaats van rood onder de staart. Kleine bonte specht is mussengroot en gebandeerd op de rug.

Leefgebied

Alle typen bos, van oud loofbos en dennenaanplant tot boomsingels, landgoederen, begraafplaatsen en tuinen met opgaande bomen. Vraagt vooral dood en kwijnend hout om in te hakken en te nestelen; in de winter komt hij veel op voedertafels af.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Vrijwel heel Europa behalve IJsland en het uiterste noorden, tot in Noord-Afrika en Turkije. In Noordwest-Europa de algemeenste specht, nog toenemend tot in het stedelijk groen; in het Middellandse Zeegebied wijdverbreid in bergnaaldbos en de eiken- en beukenbossen van het noorden en de sierra's. Standvogel; noordelijke populaties trekken bij zaadgebrek invasieachtig weg.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in februari en maart tussen zonsopgang en tien uur door open loofbos en luister naar roffels; elk territorium heeft een favoriete resonerende dode tak. In de winter is de tuinvoederplaats de gemakkelijkste plek om nek, kruin en onderstaart rustig te controleren.

Staat van instandhouding

In heel Europa toenemend, geholpen door meer dood hout in bossen, veroudering van naaldhoutaanplant en het bijvoeren in tuinen. Bedreigingen zijn er nauwelijks; alleen het opruimen van dood hout en het kappen van oude parkbomen werkt lokaal negatief. Profiteert van boomsterfte na droogte en storm.

Wetenschappelijke naam

Dendrocopos major | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Picus major; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendrocopos werd in 1816 ingevoerd door Koch. Dendrocopos is Grieks, van dendron 'boom' en kopos 'het slaan'. major is Latijn voor 'groter', ter onderscheiding van de kleinere bonte spechten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.