Alle soortenSpechtachtigenSpechten › Witrugspecht

Witrugspecht | Dendrocopos leucotos

White-backed woodpecker | Pico dorsiblanco

De grootste bonte specht van Europa en de meest kieskeurige: hij leeft alleen in oud, vochtig loofbos met veel staand en liggend dood hout. Waar het bos netjes wordt beheerd verdwijnt hij, en daardoor is hij in West- en Noord-Europa een zeldzaamheid geworden; in Groot-Brittannië en Ierland komt hij helemaal niet voor. In Spanje is hij een zeldzaamheid van de Pyreneese beukenbossen van Navarra en het Ansódal, met nog maar een honderdtal paren.

Witrugspecht (Dendrocopos leucotos)
Hoofdfoto · Foto: Alastair Rae — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De contactroep is een zacht, laag kjuk, vlakker en minder scherp dan het kik! van de grote bonte specht en ongeveer eens per seconde herhaald, bij opwinding overgaand in een ratelende reeks. De roffel is het duidelijkst: lang, luid en versnellend, ruim een seconde, waar de grote bonte specht in een halve seconde klaar is. In maart en april draagt die roffel ver door het nog kale bos.

Luister: RoffelWikimedia Commons

Opname: Hangvadász — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Groter en langgerekter dan de grote bonte specht, met een lange hals, een zware snavel en een wat topzwaar silhouet. De onderrug en stuit zijn wit — het beste kenmerk, maar meestal alleen te zien bij een klimmende vogel of in de vlucht — en de vleugels zijn fijn dwarsgebandeerd zwart-wit, zonder groot wit schouderveld. De flanken en de zijborst zijn zwart gestreept, de onderstaart is roze tot dofrood. Het mannetje heeft een volledig rode kruin, het wijfje een zwarte; jonge vogels een doffe, gevlekte rode kruin. De zuidelijke vorm lilfordi, van de Pyreneeën tot de Kaukasus, heeft een gebandeerde in plaats van zuiver witte rug en zwaarder gestreepte onderdelen.

Verwarrings­soorten

Grote bonte specht heeft twee grote witte schouderschilden op een zwarte rug, ongestreepte witte onderdelen en felrode onderstaartdekveren, en zijn zwarte baardstreep loopt door tot in de nek; het mannetje heeft alleen een rode nekvlek. De witrugspecht keert dat om: gebandeerde vleugels zonder schouderveld, een witte onderrug, gestreepte flanken en bij het mannetje een geheel rode kruin. Middelste bonte specht is veel kleiner, met een open wit gezicht en zalmroze onderbuik; kleine bonte specht is mussengroot en heeft nooit rood onder de staart.

Leefgebied

Oud, vochtig loofbos met veel dood hout: beuken- en eikenbos, elzenbroek, berken- en espenopslag, en zuidelijker bergbeukenbos. Hij hakt diep in zacht, rottend hout naar boktor- en andere keverlarven en heeft daarvoor dikke kwijnende en omgevallen stammen nodig — meer dood hout dan enige andere Europese specht. Stormvlaktes, brandplekken en onbeheerde reservaten zijn zijn beste terreinen; opgeruimd productiebos is voor hem leeg.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van Scandinavië en de Baltische staten door Polen en de Karpaten tot de Balkan, Turkije en de Kaukasus, met geïsoleerde bergpopulaties in de Pyreneeën en de Italiaanse Apennijnen, en verder oostwaarts door Siberië tot Korea en Japan. Op het Iberisch Schiereiland komt hij alleen voor in de Pyreneese beukenbossen van Navarra — Irati en Quinto Real — en, vrijwel symbolisch, in het dal van Ansó in Huesca; de naburige Franse populatie telt ongeveer driehonderd paren. In Nederland komt hij niet voor. De dichtstbijzijnde vaste populaties zitten in Oost-Polen, de Beierse bergbossen en de Karpaten.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga naar een reservaat waar dood hout blijft liggen: Białowieża in Oost-Polen, de Karpaten, de Beierse bergbossen, of — dichter bij het Iberisch Schiereiland — de Pyreneese beukenbossen van Irati en Quinto Real in Navarra, tussen 800 en 1700 meter. Maart en april zijn de maanden, vroeg op de ochtend, en de lange versnellende roffel is je beste aanwijzing; de roep is een zachte, ongeveer om de seconde herhaalde bic-bic. Loop daarna langzaam langs omgevallen beuken en berken en let op verse, grove hakgaten laag op de stam; de vogel zelf is stil en weinig schuw.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in West- en Noord-Europa sterk achteruitgegaan en plaatselijk op het randje. In Zweden brachten in 2024 nog maar een twaalftal paren jongen groot, ondanks een langlopend herstelprogramma, en in Spanje gaat het om ongeveer honderd paren in de Navarrese Pyreneeën. De oorzaak is overal dezelfde: bosbouw die dood en kwijnend hout weghaalt. Waar oude loofbossen met rust worden gelaten, komt de soort terug.

Wetenschappelijke naam

Dendrocopos leucotos | (Bechstein, 1802)

Bechstein beschreef de soort in 1802 als Picus leucotos; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendrocopos werd in 1816 ingevoerd door Koch. Dendrocopos is Grieks, van dendron 'boom' en kopos 'het slaan'. leucotos is Grieks, van leukos 'wit' en -notos '-rugig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Silezië.