Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Grote karekiet
Grote karekiet | Acrocephalus arundinaceus
Great reed warbler | Carricero tordal
De grootste rietzanger van Europa en met afstand de luidruchtigste: zijn krakende zang draagt honderden meters over het water. In Nederland is hij van algemene moerasvogel teruggevallen tot een zeldzaamheid van oud, waterriet.
Geluid
De zang is een luid, traag en krakend gehakkel van diepe en schelle noten door elkaar, klassiek weergegeven als karre-karre-kiet-kiet-kiet, met kikkerachtige tonen ertussen; te horen van eind april tot half juli, ook midden op de dag en soms 's nachts. Alarmroep: een diep, ratelend tsjarr.
Opname: Jan Cibulka — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Fors, bijna lijsterachtig groot voor een rietzanger, met een zware, lange snavel, een platte kop met vaak opgezette kruinveren en een korte, lichte wenkbrauwstreep die niet tot achter het oog doorloopt. Warmbruine bovendelen, roomwitte keel en vuilgele flanken, opvallend grote, sterke poten. Geslachten gelijk; juvenielen zijn warmer roodbruin.
Verwarringssoorten
Kleine karekiet is de standaardverwarring, maar die is fors kleiner, fijner van snavel en zingt in een gelijkmatig, kabbelend ritme; grote karekiet klinkt trager, dieper en veel harder. Snor en rietzanger vallen af op respectievelijk de gelijkmatige triller en de duidelijke wenkbrauwstreep en gestreepte kruin. Grootte alleen misleidt vaak: gebruik snavel, stem en de zware poten.
Leefgebied
Oud, stevig waterriet met een natte voet, in brede rietkragen langs meren, oude rivierarmen, kleiputten en visvijvers. Vermijdt smalle, verdroogde of jaarlijks gemaaide rietkragen; de nesten hangen laag tussen dikke, overjarige stengels boven open water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Iberië en Noord-Afrika tot Centraal-Azië, in vrijwel heel Europa behalve de Britse Eilanden en het hoge noorden. In het Middellandse Zeegebied een wijdverbreide zomergast van rietkragen langs rivieren, rijstvelden en lagunes, met bolwerken in de Ebrodelta, la Albufera, Doñana en de lagunes van La Mancha; in Noordwest-Europa sterk teruggelopen en beperkt tot enkele grote moerassen. Alle vogels overwinteren in Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Mei en begin juni, het hele daglicht door: kies een dijk of vlonder langs breed waterriet en scan de rietpluimen, want het zingende mannetje klimt vaak in het volle zicht in de top. In het Middellandse Zeegebied volstaat een ochtend langs een lagune of rijstveld; in Noordwest-Europa is dit zoeken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Noordwest-Europa sterk achteruitgegaan door het verdwijnen van breed, overjarig waterriet. Peilbeheer zonder natuurlijke fluctuatie, vraat door ganzen en muskusrat, jaarlijkse rietoogst en golfslag van recreatievaart zijn de hoofdoorzaken; in Nederland staat hij op de Rode Lijst.
Wetenschappelijke naam
Acrocephalus arundinaceus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Turdus arundinaceus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. arundinaceus is Latijn voor 'rietachtig', van arundo, genitief arundinis, 'riet'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordelijk Europa.


